ECLI:NL:CRVB:2007:BA4487

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2724 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1132 ARAArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet voortzetten dienstverband na tweede proefjaar bij gemeente Amsterdam

Appellant was sinds februari 2002 in tijdelijke dienst bij de gemeente Amsterdam en werd vanaf september 2002 aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst bij wijze van proef. In mei 2003 werd vastgesteld dat appellant onvoldoende administratief inzicht had en niet naar tevredenheid functioneerde. Hoewel aanvankelijk werd meegedeeld dat de aanstelling niet zou worden verlengd, besloot het college na bezwaar in maart 2004 de aanstelling formeel te verlengen tot september 2004.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel geschikt was voor administratief werk en dat het college onvoldoende inspanningen had verricht om hem elders te herplaatsen. Het college erkende een gebrek aan voortvarendheid na maart 2004, maar stelde dat appellant ook geen initiatieven had genomen. De Raad concludeerde dat het college in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat appellant niet voldeed aan de redelijke eisen en verwachtingen.

Verder oordeelde de Raad dat ondanks een periode van inactiviteit van appellant en een vertraagde communicatie over het dienstverband, het college uiteindelijk een loopbaanplan had opgesteld en begeleiding had geboden. Dit maakte dat het besluit niet in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet voortzetten van het dienstverband bevestigd.

Uitspraak

06/2724 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2006, 04/5491 AW (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 26 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.P. Wasscher, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Boes-Kouwenoord en J.A. van der Ploeg, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was sedert 15 februari 2002 in tijdelijke dienst van de gemeente Amsterdam en werkzaam op de megabanenmarkt. In aansluiting hierop is appellant met ingang van 1 september 2002 voor de periode van één jaar aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst bij wijze van proef in de functie van administratief medewerker bij de gemeentelijke sociale dienst van Amsterdam (SDA). Op 16 mei 2003 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden, waarin door de leidinggevende is geconstateerd dat appellant een gebrek aan administratief inzicht heeft en appellant heeft verklaard dat hij elders wellicht beter tot zijn recht komt. Nadat appellant aanvankelijk was meegedeeld dat de aanstelling niet zal worden verlengd, en appellant zijn werkzaamheden eind november 2003 had gestaakt, heeft het college na bezwaar op 1 maart 2004 besloten dat de aanstelling bij wijze van proef is verlengd tot 1 september 2004. Daarbij is aangegeven dat met appellant in overleg wordt getreden over de wijze waarop hij in de nu ontstane situatie kan worden ingezet.
1.2. Bij brief van 28 juni 2004 is appellant meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling afloopt per 1 september 2004. Tot die datum wordt hij begeleid door een loopbaan-consulent van de SDA. Op 22 juli 2004 is een loopbaantraject voor appellant opgesteld. Bij besluit van 13 januari 2005 heeft het college de bezwaren van appellant tegen het niet voorzetten van zijn dienstverband ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat hij niet ongeschikt is voor administratief werk en voorts dat na 1 maart 2004 door het college onvoldoende inspanningen zijn gepleegd om hem elders te herplaatsen. Het college heeft erkend dat voortvarender had kunnen worden gehandeld na 1 maart 2004, maar daar staat tegenover dat ook appellant geen initiatieven aan de dag heeft gelegd. Voorts is erop gewezen dat de loopbaanbegeleiding nog na 1 september 2004 heeft voortgeduurd.
4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.
4.1. Gelijk de rechtbank heeft vastgesteld geldt hier voor de rechter een terughoudende toetsing, die is beperkt tot de vraag of, behoudens anderszins strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, het college in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.
4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant reeds in mei 2003 niet naar tevredenheid van zijn leidinggevende functioneerde. Het uitvoeren van een totaal administratief takenpakket was voor appellant te hoog gegrepen. Appellant heeft die vaststelling niet met argumenten weersproken. Dat van onvoldoende begeleiding sprake was is niet gebleken. Het verslag van het functioneringsgesprek van 16 mei 2003 laat zien dat getracht is appellant eenvoudige en gestandaardiseerde werkzaamheden te laten verrichten op zijn eigen niveau. Verlenging van de aanstelling met nog een jaar heeft voorts niet plaatsgevonden omdat men verbetering verwachtte in het functioneren van appellant maar uitsluitend op formele gronden; verzuimd was appellant overeenkomstig artikel 1132 van Pro het ARA tijdig in kennis te stellen van het aflopen van zijn dienst-verband per 1 september 2003. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant niet aan de verwachtingen voldeed.
4.3. Dan resteert de vraag of het besluit tot het niet voortzetten van het dienstverband onzorgvuldig moet worden genoemd. Vast staat dat appellant in het tweede proeftijdjaar na november 2003 niet meer werkzaam is geweest. Tot 1 maart 2004 verkeerde appellant in de veronderstelling dat zijn dienstverband was beëindigd en daarna heeft hij niets van het college vernomen tot 28 juni 2004 toen het einde van zijn dienstverband per 1 september 2004 werd aangekondigd. Appellant heeft overigens verklaard dat hij vanaf november 2003 ziek was, welke ziekte heeft voortgeduurd tot in 2006. Gelet op hetgeen partijen over de periode na 1 maart 2004 over en weer naar voren hebben gebracht, is de Raad van oordeel dat aan beide zijden een gebrek aan voortvarendheid valt te constateren. Niettemin moet ook worden vastgesteld dat het college uiteindelijk een loopbaanplan voor appellant heeft gemaakt en dat hij nog enige tijd is begeleid bij het vinden van ander werk. In dit licht ziet de Raad onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
5. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd, voor zover aangevochten. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2007.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) P.J.W. Loots.
HD
16.04