ECLI:NL:CRVB:2007:BA4487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet voortzetten dienstverband na tweede proefjaar bij gemeente Amsterdam
Appellant was sinds februari 2002 in tijdelijke dienst bij de gemeente Amsterdam en werd vanaf september 2002 aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst bij wijze van proef. In mei 2003 werd vastgesteld dat appellant onvoldoende administratief inzicht had en niet naar tevredenheid functioneerde. Hoewel aanvankelijk werd meegedeeld dat de aanstelling niet zou worden verlengd, besloot het college na bezwaar in maart 2004 de aanstelling formeel te verlengen tot september 2004.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel geschikt was voor administratief werk en dat het college onvoldoende inspanningen had verricht om hem elders te herplaatsen. Het college erkende een gebrek aan voortvarendheid na maart 2004, maar stelde dat appellant ook geen initiatieven had genomen. De Raad concludeerde dat het college in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat appellant niet voldeed aan de redelijke eisen en verwachtingen.
Verder oordeelde de Raad dat ondanks een periode van inactiviteit van appellant en een vertraagde communicatie over het dienstverband, het college uiteindelijk een loopbaanplan had opgesteld en begeleiding had geboden. Dit maakte dat het besluit niet in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet voortzetten van het dienstverband bevestigd.