ECLI:NL:CRVB:2007:BA4522

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1268 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • K. Zeilemaker
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 BWOOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit over berekening loonsuppletie onderwijs- en onderzoekspersoneel

Appellant, voormalig werknemer in het onderwijs, kreeg een loonsuppletie toegekend na ontslag en aanvaarding van een lager betaalde betrekking. De berekeningswijze van deze loonsuppletie werd vanaf 2004 aangepast, waarbij ook de eindejaarsuitkering uit de oude betrekking werd betrokken, wat leidde tot een verlaging van de uitkering.

Appellant stelde primair dat de eindejaarsuitkeringen uit zowel de oude als nieuwe betrekking niet in de berekening betrokken mochten worden en subsidiair dat de hoogte van de oude eindejaarsuitkering aangepast moest worden aan het niveau van 2004. De minister verdedigde zijn standpunt dat een procentuele eindejaarsuitkering als vaste toelage geldt volgens artikel 38, zevende lid, BWOO.

De Raad oordeelde dat de minister terecht rekening hield met de eindejaarsuitkering als vaste toelage en dat de wijziging in de berekeningswijze niet in strijd was met het BWOO. Tevens werd vastgesteld dat het beleid van de minister om algemene loonsverhogingen mee te nemen buitenwettelijk begunstigend was, maar dit had geen nadelige gevolgen voor appellant.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat de minister bevoegd was de berekeningswijze zonder terugwerkende kracht te wijzigen. De primaire en subsidiaire bezwaren van appellant werden verworpen, waarmee het beroep ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van de minister en verklaart het beroep van appellant ongegrond.

Uitspraak

06/1268 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 februari 2006, 04/1482 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister),
Datum uitspraak: 19 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nog enige stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.
1.1. In verband met zijn ontslag per 1 juli 1998 is aan appellant een uitkering toegekend op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO). Na aanvaarding van een nieuwe lager betaalde betrekking met ingang van 1 juni 2000 is appellant op zijn verzoek een loonsuppletie op grond van het BWOO toegekend.
1.2. Vanaf 1 januari 2004 is de berekening van de loonsuppletie gewijzigd. De door appellant in de nieuwe betrekking genoten eindejaarsuitkering is alsnog betrokken in de berekening van de hoogte van de loonsuppletie.
1.3. Bij besluit van 19 april 2004 is de berekening van de loonsuppletie per 1 januari 2004 wederom aangepast. Bij het bruto-inkomen vermeerderd met vaste toelagen dat appellant ontving uit de betrekking waaruit appellant op 1 juli 1998 werkloos was geworden (hierna ook: de oude betrekking) is alsnog ook rekening gehouden met de daarin genoten eindejaarsuitkering. Dit heeft geleid tot verlaging van het bedrag aan loonsuppletie. Na bezwaar is bij besluit van 27 september 2004 de berekeningswijze van de loonsuppletie gehandhaafd en is de ingangsdatum nader bepaald op 1 mei 2004.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 27 september 2004 ongegrond verklaard.
2.1. In hoger beroep heeft appellant zich primair op het standpunt gesteld dat noch de eindejaarsuitkering uit de oude betrekking noch de eindejaarsuitkering uit zijn nieuwe betrekking betrokken mag worden bij de berekening van de loonsuppletie. Subsidiair is appellant van opvatting dat de hoogte van de eindejaarsuitkering uit de oude betrekking niet mag worden gefixeerd op het niveau van 1998, maar aangepast dient te worden aan de hoogte van de eindejaarsuitkering ten tijde van de aanspraak op loonsuppletie, in dit geschil dus naar de datum van 1 mei 2004. Appellant ontleent dit standpunt aan de afspraken bij de sectorale CAO-onderhandelingen, die de minister ten onrechte alleen nakomt ten aanzien van de algemene loonsverhogingen. Appellant noemt het tegenstrijdig, dat bij de inkomsten uit zijn nieuwe betrekking wel rekening wordt gehouden met de jaarlijkse hoogte van de eindejaarsuitkering en dat de eindejaarsuitkering van zijn oude betrekking wordt bevroren op het percentage uit 1998.
Appellant heeft voorts de vraag opgeworpen of de minister de bevoegdheid toekwam om een wijziging aan te brengen in de berekeningswijze van de loonsuppletie.
2.2. De minister is van opvatting dat een procentuele eindejaarsuitkering, zoals appellant genoot, ook als vaste toelage in de zin van artikel 38, zevende lid, van het BWOO geldt. Dat het percentage van de eindejaarsuitkering bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden wijziging kan ondergaan doet naar het oordeel van de minister aan het vaste karakter niet af.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het navolgende.
3.1. Ingevolge artikel 38, zevende lid, van het BWOO wordt de hoogte van de loonsuppletie bepaald door het verschil tussen het nieuwe bruto-maandinkomen, vermeerderd met vaste toelagen en het bruto-inkomen dat betrokkene had in de betrekking waaruit hij werkloos is geworden, vermeerderd met vaste toelagen. De uitleg van de minister dat onder vaste toelagen als hierbedoeld ook moet worden verstaan een eindejaarsuitkering waarvan het percentage jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld, acht de Raad niet onjuist. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat ook in die situatie uitgangspunt is dat telkenjare een eindejaarsuitkering wordt toegekend waarvan de hoogte tevoren wordt vastgesteld.
Hieraan doet niet af dat bij de vaststelling van het dagloon van appellants BWOO-uitkering zijn vóór het ontslag genoten eindejaarsuitkering niet is meegeteld. Voor de berekening van het dagloon zijn in het BWOO aparte bepalingen opgenomen en het geding heeft geen betrekking op het BWOO-dagloon. Evenmin is voor de uitleg van het zevende lid van artikel 38 van Pro het BWOO van belang dat appellant, zoals hij heeft gesteld, over zijn loonsuppletie een eindejaarsuitkering uitbetaald kreeg. Anders dan appellant meent impliceert dit namelijk niet dat de minister tweemaal een eindejaarsuitkering aan appellant betaalt.
Dit betekent dat de primaire grief van appellant geen doel treft.
3.2. Met betrekking tot de subsidiaire stelling van appellant stelt de Raad evenals de rechtbank vast dat artikel 38, zevende lid, van het BWOO geen aanknopingspunt biedt voor het beleid van de minister om in de jaren 2000 tot en met 2004 bij de vaststelling van de hoogte van de loonsuppleties rekening te houden met de algemene loonsverhogingen die zich in de oude betrekking sedert betrokkene daaruit werd ontslagen hebben voorgedaan. Nu deze berekeningswijze positieve gevolgen had voor de betrokkenen merkt de Raad dit beleid in het voetspoor van de gemachtigde van de minister bij de rechtbank, aan als buitenwettelijk begunstigend beleid.
3.3. Dat dit beleid mee moet brengen dat bij de vaststelling van de hoogte van de loonsuppletie ook uitgegaan moet worden van het sedert het ontslag verhoogde percentage van de eindejaarsuitkering in de oude betrekking, zoals door appellant betoogd, onderschrijft de Raad niet.
Voor de wens van appellant om het bedrag van de inkomsten uit zijn oude betrekking te verhogen in verband met een in 2004 geldend hoger percentage aan eindejaarsuitkering ziet de Raad geen grond. Naast het gegeven dat artikel 38, zevende lid, van het BWOO voor appellants zienswijze geen aanknopingspunt bevat, heeft te gelden dat de loonsuppletie, blijkens de Nota van Toelichting (Besluit van 19 juni 1996, Stb 338), bedoeld is als een overbrugging naar een functie met een lager salaris dan het salaris in de betrekking waaruit het ontslag heeft plaatsgevonden. Bij een overbruggingsuitkering past ook naar het oordeel van de Raad niet om een structureel hogere, door een betrokkene in zijn oude betrekking nimmer genoten, eindejaarsuitkering mede te betrekken bij de berekening van de loonsuppletie.
3.4. Appellant heeft ter zitting nog de vraag opgeworpen of de minister bevoegd is om de onderhavige wijziging in de berekening van de loonsuppletie aan te brengen. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is een uitvoeringsorgaan in beginsel bevoegd om over te gaan tot herstel van een eventuele verkeerde toepassing van de wettelijke voorschriften. In aanmerking genomen dat aan het onderhavige herstel geen terugwerkende kracht is gegeven, ziet de Raad geen grond om de wijze waarop de minister gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid in strijd te achten met enige regel van (on)geschreven recht.
4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuurswet.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) R.A. Huizer.
HD
16.04
Q