AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontslag ambtenaar wegens verstoorde arbeidsverhoudingen en gebrek aan vertrouwen
Appellante trad in 1990 in dienst bij de gemeente Eindhoven en heeft sindsdien diverse functies vervuld. Na klachten over niet-passende functies en langdurige ziekteverzuim is zij in 2000 benoemd tot secretaresse van de ondernemingsraad. Door conflicten met de voorzitter en secretaris van de OR ontstonden verstoorde verhoudingen, waarna haar werkzaamheden werden stopgezet en zij zich ziek meldde.
Het college besloot in 2002 tot ontslag wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen, wat werd bevestigd na bezwaar en een eerdere vernietiging door de rechtbank wegens motiveringsgebrek. Appellante voerde aan dat het college onvoldoende passende functies bood en dat de functie van secretaresse OR uitgehold was.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was tot ontslag, omdat sprake was van een impasse die verdere samenwerking onmogelijk maakte. De Raad vindt onvoldoende bewijs dat het college schuld had aan de impasse of dat functies ongeschikt waren. De ontslaggrond is terecht toegepast en het college heeft redelijk gehandeld. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens verstoorde verhoudingen wordt bevestigd.
Uitspraak
05/6238 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 30 augustus 2005, 04/3483 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: college)
Datum uitspraak: 19 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.G.M. Gersjes, advocaat te Eindhoven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te
’s-Hertogenbosch.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante is in 1990 in dienst getreden bij de gemeente Eindhoven als tekstverwerkingsfunctionaris (schaal 4). Nadien is zij verschillende malen overgeplaatst. Nadat appellante, op eigen verzoek, in 1995 was benoemd in de functie van facet documentair informatieverzorgster (schaal 6), heeft zij zich kort nadien ziek gemeld, omdat die functie naar haar mening beneden haar niveau lag en daarom ziekmakend was. Het college heeft dit standpunt in 1997 in navolging van de bedrijfsarts uiteindelijk gehonoreerd en appellante de gelegenheid geboden te solliciteren naar een passende functie binnen de gemeente. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. In 1998 heeft appellante het college verzocht een passende functie voor haar te zoeken, waarin zij geplaatst kon worden.
1.2. In juni 1999 is appellante bij wijze van proef geplaatst in de voorlopige functie van secretaresse ambtelijke ondersteuning van de in oprichting zijnde ondernemingsraad. Teneinde een punt te zetten achter het verleden, zijn onderhandelingen gestart om te komen tot een minnelijke regeling. Lopende dit traject is appellante per 1 april 2000 benoemd in de functie van secretaresse beherend-OR bij de dienst Algemene en Publiekszaken. De regeling in der minne is vastgelegd in een brief van 6 februari 2001. Daaruit blijkt dat aan appellante een bedrag van f. 45.000,- wordt uitgekeerd, dat aan haar studiefaciliteiten zijn toegekend ten behoeve van de studie Nederlands recht en dat appellante alle lopende klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures tegen het college zal intrekken.
1.3. Nadat een nieuwe OR was gekozen in oktober 2000 zijn op 9 november 2000 in aanwezigheid van appellante afspraken gemaakt tussen de leidinggevende van appellante en de voorzitter en secretaris van de nieuwe OR met betrekking tot de gewenste secretariële ondersteuning. Uit die afspraken blijkt dat de werkzaamheden een puur administratief en secretarieel karakter hebben. Appellante heeft zich met deze afspraken op 23 november 2000 blijkens aantekening onder die afspraken onder dwang akkoord verklaard. Op 4 december 2000 is een functioneringsgesprek gehouden met appellante. Uit het verslag daarvan blijkt dat appellante problemen heeft met de bevoogding en de controle door de voorzitter en secretaris van de OR en dat zij pleit voor meer zelfstandigheid. Op 7 februari 2001 is de ondersteuning van appellante van de OR met onmiddellijke ingang stopgezet, omdat sprake was van een ernstig verstoorde werkrelatie met de voorzitter en secretaris van de OR. In een brief van 8 februari 2001 heeft de leidinggevende van appellante aangegeven dat hij binnen zijn afdeling voor appellante andere werkzaamheden zou gaan zoeken. Nadat appellante nog kort ander werk heeft verricht, heeft zij zich ziekgemeld.
1.4. Op 6 februari 2002 heeft het college appellante er van in kennis gesteld dat het voornemen bestond haar ontslag te verlenen. Bij besluit van 7 oktober 2002 is dit voornemen ten uitvoer gebracht en is appellante per 1 december 2002 op grond van artikel 8:8 vanPro de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Algemene rechtstoestandverordening gemeente Eindhoven (CAR/ARV) wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen ontslag verleend, onder toekenning van een uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a van de CAR/ARV. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 januari 2003, welk besluit door de rechtbank is vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Daarop heeft het college het bezwaar van appellante tegen het aan haar verleende ontslag bij besluit van 5 november 2004 opnieuw ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
3.1. Appellante heeft ontkend dat sprake was van verstoorde verhoudingen. Appellante meent voorts dat zij zich in de loop der jaren zeer welwillend heeft opgesteld, maar dat het college onwillig was mee te werken aan een adequate oplossing. Dat blijkt uit het feit dat appellante steeds functies werden aangeboden die niet passend en daardoor ziekmakend waren. Met betrekking tot de laatste functie van secretaresse beherend OR heeft appellante verklaard dat deze functie als gevolg van de opstelling van de nieuwe voorzitter en secretaris van de OR compleet werd uitgehold. Appellante heeft met nadruk weersproken de suggestie van het college dat zij slechts tevreden zou zijn met een functie ver boven haar (middelbaar) opleidingsniveau.
3.2. Het college heeft aangevoerd dat gedurende de hele loopbaan van appellante op het punt van samenwerking en flexibiliteit grote problemen hebben bestaan. Appellante was nimmer tevreden over het werk dat zij moest doen en hield het college daarvoor verantwoordelijk. Appellante heeft echter zelf een verantwoordelijkheid om haar ambities te verwezenlijken, aldus het college, dat - gegeven hetgeen is gepasseerd - verdere samenwerking met appellante niet meer mogelijk acht.
4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.
4.1. In de eerste plaats is aan de orde de vraag of appellante op de gebezigde grond kon worden ontslagen. Ingevolge artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/AVR kan ontslag plaatsvinden op een bij het ontslagbesluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in de vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd. Vaste jurisprudentie van de Raad is dat aan een ontslaggrond als deze ook toepassing kan worden gegeven in het geval dat een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verwacht.
4.2. De gedingstukken laten zien dat het dienstverband van appellante sedert 1990 gekenmerkt werd door problemen, zowel met betrekking tot de invulling van het haar opgedragen werk als op rechtspositioneel gebied, welke uitmondden in ziekmeldingen en langdurig niet werkzaam zijn. Na 1999 is getracht daar met een minnelijke regeling een streep onder te zetten en een einde te maken aan de lopende procedures en is appellante een financiële tegemoetkoming uitbetaald. Appellante heeft een nieuwe start gemaakt als secretaresse beherend OR, maar ook daar deden zich uiteindelijk weer dezelfde problemen voor en is de samenwerking opgezegd. Vervangende werkzaamheden heeft appellante gestaakt en een ziekmelding is gevolgd. Nadien is het college er niet in geslaagd met appellante tot overeenstemming te komen over het hervatten in andere werkzaamheden. Daargelaten of kan worden gesproken van verstoorde verhoudingen met het college - de stukken laten slechts zien dat appellante in conflict was gekomen met de voorzitter en de secretaris van de OR, maar bijvoorbeeld niet met haar leidinggevende of met haar andere collega’s - acht de Raad voldoende aannemelijk geworden dat ten tijde van de ontslagdatum een verhouding tussen appellante en haar werkgever was ontstaan die kan worden omschreven als een impasse zoals hiervoor bedoeld. Vastgesteld kan worden dat sedert 1990 is getracht te komen tot een functievervulling door appellante, die tot wederzijdse tevredenheid leidde, maar dat dat niet is gelukt. Afgezien van de vraag aan wie dat mislukken kan worden toegeschreven - op die vraag wordt hierna nog ingegaan - rechtvaardigen die jarenlange vergeefse pogingen naar het oordeel van de Raad de constatering van het college dat eind 2002 geen vertrouwen meer bestond in een vruchtbare verdere samenwerking met appellante. Dit betekent dat het college bevoegd was om appellante op de gebezigde grond te ontslaan.
4.3. Bij de vraag of het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is, gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, met name aan de orde of aan appellante een financiële tegemoetkoming had moeten worden gegeven die uitgaat boven de reguliere uitkering die haar bij het ontslagbesluit is toegekend. Volgens vaste jurisprudentie is daarvoor aanleiding indien komt vast te staan dat het het college is geweest dat een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse die tot het ontslag heeft geleid.
4.4. Daarvoor heeft de Raad in dit geval onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden. De Raad kan de stelling van appellante dat het college haar steeds werkzaam heeft willen laten zijn in niet-passende en ziekmakende functies niet onderschrijven. Gegeven appellantes opleidingsniveau is de Raad er niet van overtuigd dat de functie die appellante na een eigen sollicitatie bij haar indiensttreding kreeg en ook de functies die zij later heeft vervuld bij voorbaat niet passend, in de zin van beneden haar niveau, waren. Dat appellante deze functies ziekmakend noemde en daarin werd gesteund door haar psycholoog-psychotherapeut kan daaraan niet afdoen. Met name acht de Raad de laatste functie van secretaresse beherend OR mede gelet op de functiebeschrijving passend voor appellante, daarbij in aanmerking genomen dat appellante, voor de uren dat zij niet werkzaam was ten behoeve van de OR, geacht werd de taken van afdelingssecretaresse te vervullen. Appellante is met deze functie ook akkoord gegaan. Dat de inhoud van deze functie later volledig zou zijn uitgehold als gevolg van afspraken tussen haar leidinggevende en de voorzitter en secretaris van de OR acht de Raad onvoldoende aannemelijk geworden. Vergelijking van de taakomschrijving waarmee appellante eerder akkoord ging (mei 1999) en de afspraken van 9 november 2000 laat zien dat slechts het opstellen van de agenda voor de vergaderingen van de OR uit het pakket van werkzaamheden van appellante was verdwenen, om reden dat de secretaris overeenkomstig het reglement van de OR daarmee belast was. Weliswaar blijkt uit het in december 2000 gehouden functioneringsgesprek dat appellante niet tevreden was met de inhoud van haar functie en positie, maar dat rechtvaardigt niet de conclusie dat haar functie was uitgehold. Uit het verslag van dat gesprek blijkt ook dat samenwerkingsproblemen bestonden met de OR. De later opgestelde verklaring van de voorzitter van de OR - wat daar overigens ook van zij - laat in elk geval ook die problemen zien. Het is niet uitgesloten dat appellante als gevolg van die problemen steeds minder feitelijk werd ingeschakeld om het werk van de OR te ondersteunen. Appellante was echter naast de OR-taken ook belast met de taken van afdelingssecretaresse. Die taken bleven gewoon bestaan. Uit de stukken blijkt voorts dat de leidinggevende van appellante ander werk voor haar heeft gezocht en gevonden, maar dat appellante met dat werk binnen zeer korte tijd is gestopt omdat het haar niet beviel.
4.5. De Raad ziet op grond van de gedingstukken niet in dat het college enig verwijt kan worden gemaakt. Dat, zoals ter zitting namens appellante is betoogd, hier sprake is geweest van slecht werkgeverschap, is een stelling die de Raad dan ook niet onderschrijft. Van de zijde van het college is zoveel mogelijk getracht appellante tegemoet te komen. Zo zijn steeds weer andere werkzaamheden voor haar gezocht, zijn er studiefaciliteiten verleend en is outplacement en begeleiding door een externe personal coach aangeboden. Daar staat tegenover dat van appellante uit het dossier een beeld oprijst van een werknemer die, al dan niet vanwege haar ambitieniveau, ontevreden is met (al) het haar opgedragen werk en daarvoor uitsluitend de verantwoordelijkheid legt bij haar werkgever in plaats van zelf, eventueel door elders te solliciteren, er voor te zorgen dat in die situatie verandering komt. Die houding heeft tot gevolg gehad dat appellante zich onbemind heeft gemaakt en dat men niet meer met haar wilde samen werken. Appellante is zich daarvan onvoldoende bewust geweest en heeft haar positie fout ingeschat.
4.6. Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid - onder toekenning van een uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10 a van de CAR/ARV - gebruik heeft kunnen maken. Dat ontslag is bij de aangevallen uitspraak terecht in stand gebleven. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.