ECLI:NL:CRVB:2007:BA4533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschot WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant had een voorschot op een WAO-uitkering ontvangen terwijl hij op 27 november 2001 minder dan 15% arbeidsongeschikt was, waarna het UWV bij besluit van 8 juli 2004 een bedrag van €4.200,68 terugvorderde. Appellant voerde aan dat hij vanwege psychische problemen en de financiële situatie niet in staat was om bijstand aan te vragen en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Volgens artikel 57 van Pro de WAO is het UWV verplicht onverschuldigde betalingen terug te vorderen, tenzij dringende redenen dit verhinderen. De Raad oordeelde dat appellant geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die dergelijke dringende redenen rechtvaardigen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2005. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R.C. Stam en uitgesproken op 4 mei 2007.
Uitkomst: De terugvordering van het voorschot WAO-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende redenen tot kwijtschelding zijn aangetoond.