ECLI:NL:CRVB:2007:BA4585

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3530 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen herziening WAO-uitkering wegens prematuur bezwaar

Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering waarbij het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op 65-80%. De rechtbank verklaarde het bezwaar prematuur omdat het besluit waarop het bezwaar betrekking had, op het moment van indiening nog niet definitief was genomen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij uit de communicatie met de arbeidsdeskundige mocht afleiden dat het besluit al genomen was en dat het rechtszekerheidsbeginsel in het geding was.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 18 december 2001 ten tijde van het bezwaarschrift van 10 december 2001 nog niet tot stand was gekomen. De Raad benadrukte dat artikel 6:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een openbare ordebepaling is die ambtshalve door de rechter moet worden getoetst. Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

De Raad wees tevens op het ontbreken van gronden voor een proceskostenveroordeling en besloot het geding zonder verdere veroordelingen af te sluiten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 april 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd wegens prematuur ingediend bezwaar.

Uitspraak

06/3530 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2006, 05/4517 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 27 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007.
Het geding is daar gevoegd behandeld met het geding bij de Raad bekend onder nr. 05/1367 WAO tussen dezelfde partijen. Appellant en zijn gemachtigde zijn -met bericht- niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door F.G.E. Houtbeckers.
Na de behandeling ter zitting zijn de gedingen gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 7 februari 2005 (het bestreden besluit), waarbij het Uwv -beslissend op bezwaar- zijn besluit van 18 december 2001 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 augustus 2000 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv de brief van appellant van 10 december 2001, die was gericht tegen de brief van 3 december 2001 van de arbeidsdeskundige J. Komijn, ten onrechte in behandeling heeft genomen als prematuur bezwaarschrift tegen het besluit van 18 december 2001. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant uit de brief van de arbeidsdeskundige moeten en kunnen opmaken dat slechts sprake was van een advies en dat een besluit nog zou volgen.
In hoger beroep heeft appellant zich, onder verwijzing naar artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het standpunt gesteld dat hij uit de gesprekken die hij met de arbeidsdeskundige heeft gevoerd kon en mocht begrijpen dat het besluit tot herziening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds was genomen. Voorts is hij van mening dat het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dat de rechtbank tot een ander oordeel komt dan het Uwv, nu het Uwv bij de behandeling ter zitting van het geding dat heeft geleid tot het hoger beroep 05/1367 WAO heeft toegezegd het premature bezwaarschrift alsnog in behandeling te zullen nemen.
De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen die de rechtbank daartoe hebben geleid. Ook naar het oordeel van de Raad was het besluit van 18 december 2001 ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift op 10 december 2001 nog niet tot stand gekomen en kon appellant ook redelijkerwijs niet menen dat dit wel reeds het geval was. Voorts heeft de Raad al eerder geoordeeld dat artikel 6:10 van Pro de Awb behoort tot de voorschriften van openbare orde, die door de rechter ambtshalve dienen te worden getoetst. De Raad wijst op zijn uitspraak van 10 oktober 2006, LJN: AZ0153.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Aangezien geen termen aanwezig zijn om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.G. Treffers en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M Sonderegger.
JL