ECLI:NL:CRVB:2007:BA4624

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2630 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant meldde zich ziek vanwege rug- en knieklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde vast dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was en dat het rapport van Instituut Psychosofia onvoldoende werd meegewogen.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van het Uwv juist was. Het rapport van Instituut Psychosofia werd niet als voldoende medisch bewijs erkend, omdat het niet voldeed aan de reguliere medische standaarden die voor WAO-toepassing gelden.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelde dat de medische gegevens van de verzekeringsarts betrouwbaar zijn en dat de eigen mening van appellant en het Instituut Psychosofia onvoldoende gewicht heeft zonder onderbouwing door medische artsen. De Raad zag geen aanleiding om het besluit te vernietigen of artikel 8:75 Awb Pro toe te passen.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/2630 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2004, 03/657 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en zijn tolk, H. van der Heijden. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Naar aanleiding van de ziekmelding van appellant per 2 november 2001 in verband met rug- en knieklachten heeft het Uwv bij besluit van 3 oktober 2002 vastgesteld dat appellant met ingang van 1 november 2002 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
Het hiertegen ingestelde bezwaar van appellant is bij besluit van 23 januari 2003 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge beroep ingesteld bij de rechtbank, waarbij zij heeft aangevoerd dat de onderzoeken van de (bezwaar-)verzekeringsarts onzorgvuldig zijn geweest waardoor onvoldoende medisch inzicht in de medische beperkingen van appellant is verkregen. Ter onderbouwing van dit standpunt is een rapport van Instituut Psychosofia, gedateerd 3 maart 2003, ingediend.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder andere overwogen dat hetgeen namens appellant is aangevoerd, met betrekking tot de duur van zijn rug- en knieklachten en zijn medicijngebruik, geen reden geeft de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Aan het namens appellant overgelegde rapport van het Instituut Psychosofia hechtte de rechtbank niet die betekenis die appellant daaraan toegekend wenste te zien. In dit verband wees de rechtbank op de uitspraak van de Raad van 28 december 2001 (USZ 2002, 68), waaruit volgt dat ten aanzien van de voor de toepassing van de WAO relevante arbeidsbeperkingen geldt dat die op de in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld en dat de rapporten van dit instituut hieraan niet voldoen.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant haar bezwaren tegen het verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek en het buiten beschouwing laten van het rapport van het Instituut Psychosofia uitvoerig uiteengezet. Ter onderbouwing heeft zij rapportages van het Instituut Psychosofia ingediend, waarin uitvoering commentaar wordt geleverd op de gedingstukken. Zij heeft voorts gewezen op de uitspraak van de Raad van 13 juli 2005 (LJN AT9828), waaruit naar haar mening valt op te maken dat verzekeringsartsen de argumenten van mevrouw Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia, gemotiveerd moeten weerleggen en zich niet achter de status van mevrouw Verhage (van niet-medicus) mogen verschuilen.
Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank. De namens appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie vanuit de behandelend secor geeft de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling van de (bezwaar-)verzekeringsarts.
De Raad is voorts van oordeel, onder verwijzing naar onder meer zijn uitspraak van
13 juni 2006 (LJN AX9316), dat in casu aan de eigen mening van appellant, zijn gemachtigde en het Instituut Psychosofia met betrekking tot appellants gezondheidstoestand, in aanmerking genomen dat slechts dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, niet dat gewicht toegekend kan worden dat zij daaraan gehecht willen zien, nu hun opvatting onvoldoende gesteund wordt door van artsen afkomstige medische gegevens en bevindingen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet tenslotte geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.G. Treffers en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.