ECLI:NL:CRVB:2007:BA4788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WAO-herbeoordeling wegens onvoldoende onderbouwing passendheid functies
Appellant, die sinds april 2000 arbeidsongeschikt is vanwege diverse klachten, waaronder tintelingen, wegrakingen en gewrichtsklachten, was in 2001 in aanmerking gekomen voor een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Bij een herbeoordeling in 2003 werd dit percentage ongewijzigd vastgesteld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hadden gehouden met het volledige scala van zijn beperkingen en dat er onterecht geen nader contact was gezocht met zijn huisarts en reumatoloog. Tevens werd een schijn van vooringenomenheid van de bezwaarverzekeringsarts aangevoerd. De Raad oordeelde dat deze klachten ongegrond waren: er was voldoende medische informatie beschikbaar en geen aanwijzing voor vooringenomenheid.
De Raad stelde echter vast dat de passendheid van de functies waarop de schatting was gebaseerd pas in hoger beroep deugdelijk was onderbouwd. Hierdoor kon het bestreden besluit wegens strijd met de Awb niet in stand blijven. Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand op grond van artikel 8:72 Awb Pro. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van passendheid functies, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.