ECLI:NL:CRVB:2007:BA4818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzekeringsplicht bij intrekking E 101-verklaring voor werkzaamheden in Nederland
In deze zaak staat centraal of betrokkene, werkzaam in Nederland voor een in België gevestigde vennootschap, onder de Nederlandse sociale verzekeringswetten valt na intrekking van een eerder afgegeven E 101-verklaring. Het Uwv had op grond van een looncontrole vastgesteld dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht in Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat de intrekking van de E 101-verklaring internationaalrechtelijk geen belemmering vormt voor het vaststellen van verzekeringsplicht.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het Uwv gebonden bleef aan de E 101-verklaring en dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel in haar voordeel moest werken. De Raad verwijst naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en stelt dat de vraag of sprake is van een dienstbetrekking naar nationaal recht moet worden beantwoord. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht de E 101-verklaring heeft laten intrekken en dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is vanaf de datum van intrekking.
De Raad benadrukt dat de intrekking rechtskracht heeft, ook al is deze niet aan appellante bekendgemaakt, en dat het aan appellante is om in België rechtsmiddelen aan te wenden indien zij het niet eens is met de intrekking. De Raad concludeert dat betrokkene verzekerd is op grond van de Nederlandse sociale werknemersverzekeringswetten en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene vanaf de intrekking van de E 101-verklaring onder de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving valt.