ECLI:NL:CRVB:2007:BA4853

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2019 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na medische beoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, oorspronkelijk gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, te herzien naar 35-45% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van de medische deskundige Koelen volgde, die concludeerde dat appellante geen psychiatrische ziekte in engere zin had en in staat was de voor haar geselecteerde functies te verrichten.

In hoger beroep betwistte appellante dit oordeel en stelde dat het advies van haar behandelend zenuwarts, die haar beperkingen beter zou kunnen inschatten, gevolgd moest worden. Tevens verzocht zij om benoeming van onafhankelijke deskundigen voor nader onderzoek naar zowel haar psychische als lichamelijke klachten en een kritische beoordeling van de passendheid van de geselecteerde functies.

De Raad overwoog dat er geen aanleiding was om af te wijken van de eerdere medische beoordeling, mede gelet op het overleg tussen arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen en het ontbreken van nieuwe medische stukken die twijfel konden zaaien. Ook zag de Raad geen gebreken in het bestreden besluit ten aanzien van de passendheid van de functies. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

De Raad sprak geen proceskostenveroordeling uit en wees het verzoek tot benoeming van nieuwe deskundigen af. De uitspraak werd gedaan door J. Janssen en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

05/2019 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 februari 2005, 04/552 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te
’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007.
Appellante en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen.
Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 10 december 2002 heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met ingang van 28 januari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
Bij besluit van 8 januari 2004, het bestreden besluit, heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank -kort samengevat- overwogen geen aanleiding te zien de conclusie van de door haar geraadpleegde deskundige J.A.H. Koelen, zenuwarts voor psychiatrie en psychotherapie, niet te volgen. In zijn rapport van 28 oktober 2004 is de deskundige Koelen tot de conclusie gekomen dat bij appellante op de datum in geding geen sprake was van een psychiatrische ziekte in engere zin en dat zij in staat moest worden geacht om de haar voorgehouden functies te verrichten.
In hoger beroep heeft appellante de conclusie van de deskundige Koelen bestreden. Zij meent dat het advies van de zenuwarts, G.T. Calor, die haar al jarenlang behandelt en haar beperkingen beter kan inschatten, dient te worden gevolgd. Dat advies hield vanaf het begin van de behandeling in: werk in het algemeen (= alle werk) niet te hervatten aangezien de geringste stress zal leiden tot verdere verslechtering van het last/kracht evenwicht en toename van de psychiatrische klachten.
Appellante verzoekt de Raad zowel een deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar de ernst van haar psychische beperkingen als onderzoek te laten doen naar haar lichamelijke klachten die in de beroepsprocedure buiten beschouwing zijn gebleven.
Voorts meent appellante dat er reden is om nogmaals kritisch te kijken naar de passendheid van de voor haar geselecteerde functies, met name omdat het veelal functies betreft met een dwingend werktempo zonder de mogelijkheid tot vertreden.
De Raad overweegt als volgt.
Wat betreft de medische beoordeling is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond is voor twijfel aan de door de verzekeringsartsen in acht genomen medische beperkingen van appellante. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake. Appellante heeft ook in hoger beroep geen (medische) stukken ingediend die aanleiding geven tot twijfel aan de medische beoordeling.
De Raad acht zich voldoende voorgelicht over de gezondheidssituatie van appellante ten tijde in dit geding van belang. Er bestaat dus geen aanleiding voor het opnieuw benoemen van onafhankelijk deskundigen zoals door appellante verzocht.
Ook heeft het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad geen gebreken op het punt van de passendheid in medisch opzicht van de aan de arbeidsongeschiktheid ten grondslag liggende functies. De Raad neemt daarbij in aanmerking het overleg dat heeft plaatsgevonden tussen bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe en bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg over de mogelijke overschrijdingen in de diverse als passend geselecteerde functies en de nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders van 7 juni 2005.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.