ECLI:NL:CRVB:2007:BA5092

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4472 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks bezwaar appellant

Appellant, voormalig magazijnmedewerker en heftruckchauffeur, viel uit wegens rugklachten en ontving een WAO-uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV herzag deze uitkering per 2 juni 2004 naar 15-25% en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellant betwistte de medische beoordeling en het onvoldoende meenemen van behandelaarsinformatie.

De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat de medische gegevens in het dossier een juist beeld geven van de beperkingen en mogelijkheden van appellant. De verzekeringsartsen van het UWV hadden de informatie van behandelende artsen meegewogen en appellant geschikt geacht voor rugsparende arbeid. Ook de arbeidskundige onderbouwing van het besluit werd als juist en inzichtelijk beoordeeld.

Daarmee faalt het hoger beroep en blijft het bestreden besluit in stand. De Raad ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door J.W. Schuttel en uitgesproken op 11 mei 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

05/4472 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 juni 2005, 04/1047 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als magazijnmedewerker/heftruckchauffeur. Op 2 april 2002 is appellant met rugklachten uitgevallen. Het Uwv heeft bij besluit van 25 maart 2003 met ingang van 1 april 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 1 april 2004 heeft het Uwv appellants WAO-uitkering met ingang van
2 juni 2004 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Het hiertegen aangetekende bezwaar is bij besluit van 10 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 2 juni 2004 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De van de zijde van appellant in bezwaar en beroep, en thans wederom in hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant is de mening toegedaan dat de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn klachten en dat de informatie van de behandelende artsen onvoldoende meegenomen is. De overschrijding van de belastbaarheid in de geduide functies is onvoldoende gemotiveerd.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar overwegingen dat de in het dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat ten aanzien van appellant is uitgegaan van een juist medisch beeld met betrekking tot zijn beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit de stukken naar voren komt dat de verzekeringsartsen van het Uwv informatie van de behandelende sector meegewogen hebben in hun beoordeling van de functionele mogelijkheden en appellant geschikt hebben geacht - conform de mening van de behandelaars - voor rugsparende arbeid.
De Raad kan voorts de rechtbank ook volgen in haar overwegingen ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en ziet geen aanleiding deze voor onjuist of niet inzichtelijk te houden.
Uit het vorengemelde vloeit voort dat het hoger beroep faalt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.
JL