ECLI:NL:CRVB:2007:BA5331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WW-dagloon gerelateerd aan WAO-dagloon bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering en een daarop gebaseerde WW-uitkering. Na het beëindigen van een deeltijddienstverband vroeg hij opnieuw een WW-uitkering aan, berekend naar het WAO-dagloon. Het Uwv weigerde een hogere WW-uitkering toe te kennen, omdat artikel 14 van Pro de Dagloonregels IWS van toepassing is, waarbij het WW-dagloon wordt gerelateerd aan het WAO-dagloon.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat artikel 14 van Pro toepassing is bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en samenloop van WAO en WW. Appellant stelde in hoger beroep dat artikel 14 niet Pro van toepassing zou zijn bij een nieuw recht op WW na toekenning van WAO-uitkering.
De Raad volgde de rechtbank en overwoog dat artikel 14, eerste lid, van de Dagloonregels IWS ook geldt bij benutting van resterende verdiencapaciteit en nieuw recht op WW. De uitzonderingsgrond in het vijfde lid van artikel 14 is Pro niet vervuld, aangezien de inkomsten uit werk lager waren dan de theoretische verdiencapaciteit. Het hoger beroep en verzoeken tot schadevergoeding en proceskosten werden afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.