ECLI:NL:CRVB:2007:BA5333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging premieplicht over fictieve thuiswerkers in bedrijfspand
Appellante, een onderneming die zich bezighoudt met opslag en bewerking van goederen, besteedde werkzaamheden uit aan zogenoemde fictieve thuiswerkers. Deze personen verrichtten werkzaamheden in de bedrijfspanden van appellante, waarbij betalingen werden gedaan zonder afdracht van premies sociale verzekeringen. Na een onderzoek van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en de Belastingdienst stelde het UWV vast dat appellante premies verschuldigd was over deze betalingen.
Appellante maakte bezwaar tegen de naheffing en voerde aan dat er geen dienstbetrekking bestond met de fictieve thuiswerkers. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat sprake was van een verzekeringsplichtige arbeidsrelatie conform artikel 3 van Pro de WAO, WW en ZW. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en stelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen verzekeringsplicht was.
In hoger beroep betwistte appellante alleen de verzekeringsplicht en de omkering van de bewijslast. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de fictieve thuiswerkers in feite oproepkrachten zijn die persoonlijk en onder gezag van appellante hun werkzaamheden verrichten tegen een reële beloning. Het feit dat de werkzaamheden in het bedrijfspand met gebruik van machines van appellante plaatsvinden en binnen een tijdsbestek afgerond moeten zijn, bevestigt de aanwezigheid van gezag. De Raad bevestigde daarmee de premieplicht en de aangevallen uitspraak, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de premieplicht over fictieve thuiswerkers wordt bevestigd.