ECLI:NL:CRVB:2007:BA5425

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3030 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging besluit op bezwaar door Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

In deze zaak heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit op bezwaar van 8 december 2004 vernietigde en het UWV opdroeg een nieuw besluit te nemen.

Tijdens de procedure heeft het UWV een nieuw besluit op bezwaar genomen op 3 april 2007, waarin het bezwaar van betrokkene volledig wordt gehonoreerd. De Centrale Raad van Beroep heeft met toestemming van partijen het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

De Raad constateert dat er geen kosten zijn die voor vergoeding in aanmerking komen aan de zijde van betrokkene. Gezien het nieuwe besluit en het honoreren van het bezwaar wordt de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens wordt bepaald dat het UWV een recht van € 428,- moet heffen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit op bezwaar en bepaalt dat het UWV een recht van € 428,- moet heffen.

Uitspraak

06/3030 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2006, 05/3061 WW (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 9 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is niet verschenen.
Ter zitting is het onderzoek geschorst.
Bij brief van 3 april 2007 heeft appellant de Raad een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum doen toekomen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit op bezwaar van 8 december 2004 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Blijkens voormeld besluit van 3 april 2007, waarbij overigens geheel wordt tegemoetgekomen aan het bezwaar van betrokkene, wordt het besluit van 8 december 2004 niet gehandhaafd.
Dit heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Van aan de zijde van betrokkene gevallen, voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.
Gezien het vorenstaande dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 428,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) A.J. Rentmeester.