ECLI:NL:CRVB:2007:BA5726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3874 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld na herstelverklaring

Appellant verrichtte laatstelijk produktiewerk via een uitzendbureau en werd op 18 maart 2004 wegens rugklachten arbeidsongeschikt verklaard. Een verzekeringsarts stelde vast dat de schoudergordel overbelast was geweest maar weer normaal belastbaar was, waarna appellant per 5 juli 2004 hersteld werd verklaard en het recht op ziekengeld werd beëindigd.

In de bezwaarfase bevestigde een bezwaarverzekeringsarts deze bevindingen en constateerde een volledig ongestoorde functie van nek, schouders, armen en rug. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische gegevens onvoldoende aanleiding boden voor een ander oordeel.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de medische bevindingen. Er zijn geen nieuwe medische gegevens ingebracht die het oordeel van de verzekeringsartsen weerleggen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het recht op ziekengeld wegens herstel.

Uitspraak

05/3874 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 mei 2005, 04/2247 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te [woonplaats], hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007.
Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A. Soer.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft laatstelijk via een uitzendbureau produktiewerk verricht bij [naam bedrijf]. Op 18 maart 2004 is appellant wegens rugklachten ongeschikt geworden voor zijn arbeid.
Naar aanleiding van dit ziektegeval is appellant op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts die bij onderzoek vaststelde dat appellants schoudergordel overbelast was geweest, maar dat deze weer normaal belastbaar was. Het lichamelijk onderzoek liet geen afwijkingen zien en appellant werd per 5 juli 2004 hersteld verklaard.
Bij besluit van 5 juli 2004 is dienovereenkomstig vastgesteld dat appellant met ingang van deze datum geen recht had op ziekengeld.
In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts H.M. Brouwer, die blijkens een rapport van 8 september 2004 bij onderzoek een volledig ongestoorde functie van nek, schouders, armen en rug constateerde. Ook bij dit onderzoek werden geen afwijkingen geconstateerd.
Bij besluit van 22 september 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was het onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig. In de door appellant ingebrachte brief van zijn huisarts van 9 november 2004, waarin de diagnose “myogene pijn” werd gesteld zag de rechtbank gelet op het commentaar van voornoemde bezwaarverzekeringsarts van 23 november 2004 onvoldoende reden voor een ander oordeel.
De Raad verenigt zich gelet op de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hoger beroep zijn geen medische gegevens ingebracht die erop wijzen dat de betrokken verzekeringsartsen de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding verkeerd hebben beoordeeld.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.