ECLI:NL:CRVB:2007:BA5733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering per 6 september 1999 in. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. Vervolgens verzocht appellant om herziening van het besluit met terugwerkende kracht vanaf februari 2000, op grond van vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid door depressieve klachten.
Een verzekeringsarts onderzocht appellant in december 2002 en stelde vast dat er geen toename van klachten was ten opzichte van het belastbaarheidspatroon uit mei 1999. Een bezwaarverzekeringsarts concludeerde eveneens dat geen nieuwe medische feiten waren aangeleverd die herziening rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een expliciete diagnose depressie in 1999 niet betekent dat psychische beperkingen toen niet waren vastgesteld. Het belastbaarheidspatroon uit 1999 en het rapport uit 2002 ondersteunen het oordeel dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is sinds september 1999.
Omdat appellant geen aanvullende medische informatie heeft overgelegd die het oordeel van de verzekeringsartsen zou kunnen betwisten, ziet de Raad geen reden om het UWV-besluit te herzien. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Arnhem wordt bevestigd en er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot herziening van de intrekking van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe medische feiten.