ECLI:NL:CRVB:2007:BA5734

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2668 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 19 Ziektewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant, voormalig bedradingsmonteur, ontving een WW-uitkering en meldde zich ziek na een elektrische schok. Het UWV beëindigde het ziekengeld per 27 maart 2004 na medisch onderzoek door verzekeringsarts Baltus, die appellant geschikt achtte voor arbeid. Appellant maakte bezwaar en werd opnieuw onderzocht door bezwaarverzekeringsarts Reker, die de eerdere conclusie bevestigde.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de medische gegevens, waaronder een brief van dr. Hajooze, geen aanleiding gaven tot het aannemen van ongeschiktheid. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat geen inspanningsonderzoek was gedaan.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe medische informatie bevatte die het eerdere oordeel zou kunnen wijzigen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

05/2668 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 april 2005, 04/674 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007. Appellant is niet verschenen, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant is werkzaam geweest als bedradingsmonteur bij Philips. Nadat hij werkloos was geworden, heeft hij vanaf 8 juni 2003 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Per 8 december 2003 heeft appellant zich ziek gemeld wegens klachten die waren ontstaan na het krijgen van een elektrische schok bij het vervangen van een defecte bougiedop.
Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft de verzekeringsarts J.A.M. Baltus appellant op 13 februari 2004 en 25 maart 2004 onderzocht. Daarnaast heeft Baltus informatie ingewonnen bij de huisarts, die bij brief van 18 februari 2004 de door Baltus gestelde vragen heeft beantwoord. Op 25 maart 2004 heeft Baltus geconcludeerd dat appellant per 27 maart 2004 weer geschikt kon worden geacht voor zijn werkzaamheden als bedradingsmonteur.
Bij besluit van 25 maart 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat aan hem met ingang van 27 maart 2004 geen ziekengeld meer wordt verleend.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Op 18 juni 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker, na appellant op 4 juni 2004 te hebben gehoord, een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant een verminderde conditie heeft en angstklachten ondervindt. Volgens Reker voldoen de angstklachten niet aan de criteria van een angststoornis zoals beschreven in de DSM-IV. Wat betreft de verminderde conditie van appellant is volgens Reker niet gebleken dat deze het gevolg is van ziekte of gebrek. Reker is tot de conclusie gekomen dat door de verzekeringsarts Baltus terecht is aangenomen dat appellant op en na 27 maart 2004 niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid.
Bij besluit van 28 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hierbij heeft hij een brief ingebracht van
dr. A. Hajooze, verbonden aan het Pius Hospital Ochtrup, van 15 oktober 2004. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarvezekeringsarts een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de beschikbare medische gegevens, waaronder de brief van de huisarts van 18 februari 2004 en de ingebrachte brief van dr. A. Hajooze van 15 oktober 2004, geen aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat appellant ten onrechte weer geschikt is geacht voor zijn arbeid. Hierbij heeft de rechtbank erop gewezen dat in de brief van Hajooze onder meer is vermeld: “Bei der Farbdoppler Echokardiographie, im EKG und Belastungs-EKG ließen sich keinen Hinweise auf eine koronare Herzkrankheit feststellen.” Verder heeft de rechtbank erop gewezen dat de enkele omstandigheid dat sprake is van een licht verminderde belastbaarheid, zoals in de brief van Hajooze is vermeld, niet meebrengt dat ongeschiktheid in de zin van artikel 19 van Pro de Ziektewet moet worden aangenomen.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv een onzorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Hierbij heeft hij er onder meer op gewezen dat geen inspanningsonderzoek heeft plaatsgevonden, waarmee volgens appellant had kunnen worden vastgesteld dat zijn uithoudingsvermogen aanzienlijk is verminderd.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Hierbij merkt de Raad nog op dat appellant in hoger beroep geen medische informatie heeft ingebracht die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.