ECLI:NL:CRVB:2007:BA5738

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5256 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor eenvoudige arbeid

Appellant, voormalig tuinbouwmedewerker, meldde zich ziek wegens psychische klachten en ontving aanvankelijk ziekengeld. Na onderzoek door verzekeringsarts Gart en bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe werd geconcludeerd dat appellant weliswaar psychische klachten heeft, maar geschikt is voor eenvoudige, niet-stresserende werkzaamheden. Het UWV beëindigde daarom het ziekengeld per 4 oktober 2004. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en zijn klachten werden onderschat. Zowel de rechtbank Rotterdam als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de conclusie gerechtvaardigd. De Raad benadrukte dat appellant geen aanvullende medische informatie had aangeleverd die een ander oordeel zou rechtvaardigen. De werkzaamheden als tuinbouwmedewerker werden als eenvoudige arbeid beoordeeld, passend bij de medische bevindingen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5256 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2005, 05/139 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling op zitting aan de orde gesteld op 11 april 2007. Partijen zijn - zoals was aangekondigd - niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant is werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker voor 38 uur per week. Nadat hij werkloos was geworden, is aan hem per 10 april 2003 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend.
Per 16 augustus 2004 heeft appellant zich ziek gemeld wegens psychische klachten. Op 29 september 2004 is hij onderzocht door de verzekeringsarts R. Gart. Deze heeft op dezelfde datum gerapporteerd dat bij appellant sprake is van al langer bestaande psychische klachten, waaronder hoofdpijnklachten en duizeligheid, en dat appellant onder behandeling is bij de RIAGG. Volgens Gart maakte appellant een aggraverende indruk, was er geen sprake van duidelijke psychopathologie en was appellant weer geschikt te achten voor zijn arbeid.
Bij besluit van 29 september 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat met ingang van 4 oktober 2004 geen recht meer bestaat op ziekengeld.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe heeft appellant op 25 november 2004 gehoord en aanvullend onderzocht. In het door Van de Merwe op 30 november 2004 uitgebrachte rapport is vermeld dat door de verzekeringsarts Gart een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht. Van de Merwe heeft voorts aangegeven dat appellant lijdt aan een aanpassingsstoornis met depressieve klachten. Volgens Van de Merwe is er echter geen sprake van ernstig invaliderende psychiatrie die niet te verenigen is met het verrichten van eenvoudige, niet te stresserende werkzaamheden.
Bij besluit van 3 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is er een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Voorts was de rechtbank van oordeel dat de door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusie dat appellant op en na 4 oktober 2004 weer geschikt was voor zijn arbeid, kan worden gevolgd.
In hoger beroep heeft appellant zich, evenals in eerste aanleg, op het standpunt gesteld dat het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn psychische klachten zijn onderschat.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
De Raad overweegt als volgt.
Appellant is op 29 september 2004 onderzocht door de verzekeringsarts Gart. In de bezwaarfase is appellant op
25 november 2004 door de bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe gehoord en aanvullend onderzocht. Zowel Gart als Van de Merwe heeft geconcludeerd dat appellant psychische klachten ondervindt, maar dat deze klachten niet dermate ernstig zijn dat het verrichten van eenvoudige, niet stresserende werkzaamheden niet mogelijk is. De Raad heeft, evenmin als de rechtbank, aanleiding gezien om aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand. Voorts wijst de Raad er nog op dat de door appellant verrichte werkzaamheden als tuinbouwmedewerker, gezien de werkomschrijving in het rapport van de arbeidsdeskundige D.J. Vleggeert van 27 maart 2002, bestempeld kunnen worden als eenvoudige, niet te stresserende arbeid.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.