ECLI:NL:CRVB:2007:BA5792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, voormalig medewerkster stekbedrijf, meldde zich op 27 augustus 2003 ziek vanuit een uitkeringssituatie. Na meerdere onderzoeken door verzekeringsartsen en overleg met behandelend specialisten, besloot het UWV op 27 mei 2004 het ziekengeld te beëindigen omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellante maakte bezwaar en werd op 12 juli 2004 door een bezwaarverzekeringsarts beoordeeld, die de medische grondslag van het besluit bevestigde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsartsen en het rapport van de zenuwarts De Graaff meewegde.
In hoger beroep voerde appellante opnieuw het rapport van De Graaff aan, maar de Raad vond dit onvoldoende onderbouwd met objectieve medische bevindingen en onderschreef het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad zag geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en bevestigde het eerdere oordeel en uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.