ECLI:NL:CRVB:2007:BA5795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering ziekengeld met terugwerkende kracht wegens gebrek aan zorgvuldigheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om met ingang van 11 januari 2005 geen ziekengeld meer toe te kennen, omdat hij niet langer ongeschikt zou zijn voor arbeid. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij zij gewicht gaf aan de medische rapportages van verzekeringsarts Özyurt en bezwaarverzekeringsarts Van Gulick.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn bezwaren, maar kon deze niet onderbouwen met aanvullende medische gegevens. De Raad constateerde dat appellant weigerde mee te werken aan een lichamelijk onderzoek en niet verscheen bij het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts. Desondanks oordeelde de Raad dat het besluit niet zorgvuldig tot stand was gekomen omdat appellant pas bij het primaire besluit van 18 januari 2005 werd geïnformeerd over de hersteldverklaring met terugwerkende kracht vanaf 11 januari 2005.
De Raad stelde dat appellant redelijkerwijs niet eerder had kunnen begrijpen dat hij hersteld was per 11 januari 2005 en dat het besluit pas per 19 januari 2005 geëffectueerd kon worden. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit, stelde vast dat het recht op ziekengeld eindigt per 19 januari 2005 en bepaalde dat het UWV het onterecht betaalde bedrag van €140 aan appellant moet vergoeden.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het recht op ziekengeld wordt vastgesteld tot 19 januari 2005.