ECLI:NL:CRVB:2007:BA5795

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3782 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering ziekengeld met terugwerkende kracht wegens gebrek aan zorgvuldigheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om met ingang van 11 januari 2005 geen ziekengeld meer toe te kennen, omdat hij niet langer ongeschikt zou zijn voor arbeid. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij zij gewicht gaf aan de medische rapportages van verzekeringsarts Özyurt en bezwaarverzekeringsarts Van Gulick.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn bezwaren, maar kon deze niet onderbouwen met aanvullende medische gegevens. De Raad constateerde dat appellant weigerde mee te werken aan een lichamelijk onderzoek en niet verscheen bij het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts. Desondanks oordeelde de Raad dat het besluit niet zorgvuldig tot stand was gekomen omdat appellant pas bij het primaire besluit van 18 januari 2005 werd geïnformeerd over de hersteldverklaring met terugwerkende kracht vanaf 11 januari 2005.

De Raad stelde dat appellant redelijkerwijs niet eerder had kunnen begrijpen dat hij hersteld was per 11 januari 2005 en dat het besluit pas per 19 januari 2005 geëffectueerd kon worden. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit, stelde vast dat het recht op ziekengeld eindigt per 19 januari 2005 en bepaalde dat het UWV het onterecht betaalde bedrag van €140 aan appellant moet vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het recht op ziekengeld wordt vastgesteld tot 19 januari 2005.

Uitspraak

05/3782 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juni 2005, 05/862 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:
Uwv).
Datum uitspraak: 16 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol.
II. OVERWEGINGEN
Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek 2 en 3 van de aangevallen uitspraak.
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het Uwv terecht heeft besloten om aan appellant met ingang van
11 januari 2005 geen uitkering ingevolge de Ziektewet meer toe te kennen, omdat hij op en na deze datum niet (meer) ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid als algemeen medewerker bij [werkgever].
De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daarbij betekenis toegekend aan de conclusies van de verzekeringsarts A. Özyurt en de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick, vervat in de rapportages van
11 januari 2005 en 15 maart 2005.
In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar en beroep.
Bij zijn oordeelsvorming heeft de Raad - evenals de rechtbank - betekenis toegekend aan de conclusies van de verzekeringsarts Özyurt en de bezwaarverzekeringsarts Van Gulick. Ook de Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. De Raad constateert daarbij dat appellant zijn stellingen noch in beroep noch in hoger beroep heeft onderbouwd met medische gegevens die aanleiding zouden geven te twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Ook ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen. In dit verband merkt de Raad op dat appellant geweigerd heeft een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts te ondergaan en dat hij tevens niet op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts is verschenen.
De Raad is ondanks het vorenstaande van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad, desgevraagd, heeft erkend is appellant kennelijk eerst bij het primaire besluit van 18 januari 2005 meegedeeld dat hij met ingang van 11 januari 2005 niet langer ongeschikt werd geacht. Aangezien dit is gebeurd met terugwerkende kracht en appellant eerder niet redelijkerwijs kon hebben begrepen weer hersteld te zijn, acht de Raad het bestreden besluit van 21 maart 2005 niet met de vereiste zorgvuldigheid - en mitsdien in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - tot stand gekomen. De hersteldverklaring kon naar het oordeel van de Raad gelet op de verzending van het primaire besluit niet eerder dan per 19 januari 2005 worden geëffectueerd. In aanmerking nemend dat er geen reden is om aan te nemen dat appellants gezondheidstoestand op 19 januari 2005 verschilde van die op 11 januari 2005 ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, dat daarbij in stand is gelaten, moeten worden vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Stelt vast dat appellant met ingang van 19 januari 2005 geen recht meer heeft op ziekengelduitkering;
Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde recht van € 140,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op16 mei 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) J. Verrips.