ECLI:NL:CRVB:2007:BA5877

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5834 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen herziening WAO-uitkering

Appellant ontving sinds 1 januari 2003 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een besluit van 10 augustus 2005 werd deze uitkering herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (65 tot 80%). Appellant maakte bezwaar, dat op 21 december 2005 ongegrond werd verklaard. Tijdens de beroepsprocedure werd het bezwaar alsnog gegrond verklaard bij besluit van 10 augustus 2006, waarbij het eerdere besluit werd herroepen en appellant weer werd ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 december 2005 niet-ontvankelijk, omdat het Uwv volledig was teruggekomen op dat besluit en appellant daardoor geen procesbelang meer had. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn doel niet was bereikt en dat de rechtbank de medische en arbeidskundige beoordeling niet inhoudelijk had getoetst.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde dat appellant het maximaal haalbare resultaat al had bereikt. Daarom ontbrak het aan een rechtstreeks op de WAO terug te voeren procesbelang. De Raad overwoog dat bij een nieuw besluit de medische en arbeidskundige componenten opnieuw beoordeeld zullen worden. Het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro werd afgewezen omdat dit alleen bij gegrondverklaring van het beroep kan worden toegekend.

De Raad bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook werd geen gevolg verbonden aan de termijnoverschrijding door het Uwv, aangezien appellant hierdoor niet benadeeld was.

Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit van de WAO-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

06/5834 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 augustus 2006, 06/698 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Appellant is (met bericht) niet verschenen. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is per 1 januari 2003 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 10 augustus 2005 is deze uitkering per 11 oktober 2005 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is bij het besluit van 21 december 2005 ongegrond verklaard.
Hangende de beroepsprocedure is het bezwaar van appellant bij besluit van 10 augustus 2006 (op arbeidskundige gronden) alsnog gegrond verklaard. Hierbij is het besluit van 21 december 2005 herroepen en is appellant per 11 oktober 2005 onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 21 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij is overwogen dat door het intrekken van dit besluit geen sprake meer is van procesbelang van appellant, nu het Uwv volledig is teruggekomen op dit besluit. Voorts is overwogen dat appellant in deze procedure met een uitspraak van de rechtbank niet meer kan bereiken dan hetgeen het Uwv nu al heeft gedaan door in het besluit van 10 augustus 2006 de eerdere beslissing op bezwaar in te trekken en appellant wederom in te delen in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.
In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat zijn doel niet is bereikt met het intrekken van het besluit op bezwaar van 21 december 2005 en dat de rechtbank de medische keuring en overige arbeidskundige componenten van de schatting ten onrechte niet inhoudelijk heeft getoetst.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen en geconcludeerd. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. In dit kader heeft de Raad overwogen dat appellant, tegen de achtergrond van het gegeven dat hij het in de onderhavige procedure maximaal haalbare resultaat, zijnde een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering, reeds heeft bereikt, ook in hoger beroep geen rechtstreeks op de WAO terug te voeren procesbelang heeft kunnen aangeven. Daarbij merkt de Raad nog op dat in geval van een nieuw besluit omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid zowel de medische als de arbeidskundige component van de schatting door het Uwv in hun geheel opnieuw zullen (moeten) worden beoordeeld.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep alsnog verzocht om toekenning van schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad is van oordeel dat de omstandigheid dat in hoger beroep alsnog is verzocht om toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb geen wijziging brengt in de feiten die de rechtbank kon vaststellen en op grond waarvan de rechtbank - zoals hierboven is overwogen terecht - tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep heeft geconcludeerd.
Nu de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 december 2005 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, bestaat voor de Raad geen ruimte een inhoudelijk oordeel over dat besluit te geven. Dit betekent dat het eerst in hoger beroep gedane verzoek om toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb vruchteloos moet blijven omdat een dergelijk verzoek slechts in geval van gegrondverklaring van het beroep kan worden gehonoreerd. Het vorenstaande laat onverlet dat het appellant vrij staat zich voor het verkrijgen van schadevergoeding rechtstreeks tot het Uwv te wenden. Gebleken is dat appellant dit reeds heeft gedaan en dat het Uwv op 8 februari 2007 daarop een besluit heeft afgegeven.
De rechtbank heeft voorts terecht geen termen aanwezig geacht voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb, nu appellant zijn verzoek daartoe in eerste aanleg niet heeft gespecificeerd, terwijl geen sprake was van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Tot slot merkt de Raad op aan de overschrijding van de in artikel 8:58 van Pro de Awb bedoelde termijn door het Uwv in eerste aanleg geen consequenties te verbinden, reeds omdat appellant hierdoor niet is benadeeld.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) J. Verrips.