ECLI:NL:CRVB:2007:BA5901

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3926 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • K. Zeilemaker
  • J.L.P.G. van Thiel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.7 CAO NUArt. 3.8 CAO NUArt. 3.9 lid 3 CAO NUArt. 12.4 lid 4 CAO NUArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging tijdelijke aanstelling zonder conversie naar dienstverband voor onbepaalde tijd

Appellante was sinds 1994 werkzaam bij de Universiteit Maastricht (UM), aanvankelijk op oproepbasis als enquêtrice en later als tijdelijke onderzoeksassistente van juli 2002 tot februari 2004. Zij stelde dat haar aanstelling doorlopend was en dat op grond van de CAO Nederlandse Universiteiten (NU) per 1 februari 2004 een dienstverband voor onbepaalde tijd was ontstaan vanwege het overschrijden van de maximale duur van vier jaar voor tijdelijke aanstellingen.

Het college van bestuur beëindigde de tijdelijke aanstelling per 1 februari 2004 en verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze beëindiging ongegrond. De rechtbank Maastricht oordeelde eveneens dat geen sprake was van een dienstverband voor onbepaalde tijd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de voorovereenkomst van 1994 slechts een oproepcontract betrof, wat niet meetelt voor de conversie naar een vast dienstverband. De tijd als oproepkracht wordt expliciet uitgezonderd bij de berekening van de maximale aanstellingsduur volgens de CAO NU. De tijdelijke aanstelling als onderzoeksassistente overschreed noch de maximale duur noch het maximaal aantal verlengingen, zodat geen recht op een dienstverband voor onbepaalde tijd bestaat.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit terecht in stand is gelaten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De tijdelijke aanstelling van appellante is niet omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd en het besluit tot beëindiging wordt bevestigd.

Uitspraak

05/3926 AW
Centrale Raad van Beroep Q.
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2005, 04/1231 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van bestuur van de Universiteit Maastricht (hierna: college)
Datum uitspraak: 10 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.G.P. Peters en door G.J.W. Aben, beiden werkzaam bij de Universiteit Maastricht (UM).
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 24 oktober 1994 heeft appellante met de UM een zogenoemde voorovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden als enquêtrice op oproepbasis.
1.2. Bij besluit van 23 juli 2002 is appellante op grond van het destijds geldende artikel 3.7, eerste lid, onder b, van de CAO Nederlandse Universiteiten (NU) in tijdelijke dienst aangesteld voor bepaalde tijd van 22 juli 2002 tot 1 februari 2004, als onderzoeks-assistente ten behoeve van het project [naam project], een door de Nederlandse Hartstichting gefinancierd tijdelijk project dat bij de UM was ondergebracht.
1.3. Bij besluit van 27 november 2003 heeft het college appellante meegedeeld dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 12.4, vierde lid, van de CAO NU de tijdelijke aanstelling per 1 februari 2004 van rechtswege eindigt en niet zal worden voortgezet.
1.4. Bij bestreden besluit van 30 juli 2004 is het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep ongegrond verklaard.
3.1. Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg naar voren gebracht dat ten aanzien van de door haar vanaf 1994 voor de UM verrichte werkzaamheden als enquêtrice - vanaf januari 1999 wekelijks - en de aansluitend daarop gevolgde aanstelling als onderzoeksassistente in tijdelijke dienst tot 1 februari 2004, gesproken moet worden van een doorlopende aanstelling. Nu de maximale duur van 4 jaar, waarvoor op grond van de CAO NU een tijdelijke aanstelling kan worden verleend, is verstreken, is naar de mening van appellante, gelet op het bepaalde in artikel 3.8, in samenhang met de conversiebepaling van art. 3.9, lid 3, van de CAO NU, per 1 februari 2004 een dienstverband voor onbepaalde tijd ontstaan.
3.2. Het college heeft zich in zijn verweerschrift aangesloten bij de overwegingen en conclusies van de rechtbank.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
4.1. De door appellante gesloten, onder 1.1. vermelde voorovereenkomst is niet een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht waarvan sprake was in het Rechtspositie-reglement Wetenschappelijk Onderwijs, welk reglement van kracht was ten tijde van het sluiten van de voorovereenkomst. Het gaat immers slechts om een vorm van een oproepcontract waarbij appellante zich beschikbaar stelt om na een oproep (tijdelijk) werkzaamheden te verrichten. Ook de omstandigheid dat appellante regelmatig na een oproep werkzaamheden heeft verricht als enquêtrice, maakt dat niet anders.
4.2. Indien met partijen wordt aangenomen dat na de inwerkingtreding van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (hierna: RWOO) sprake is geworden van een tijdelijke aanstelling op grond van dat reglement, doet dat niet af aan het karakter van die aanstelling. Het bleef gaan om het verrichten van werkzaam-heden als oproepkracht. Dat is ook niet veranderd toen in plaats van het RWOO de CAO NU van kracht was geworden.
4.3. Het converteren van een tijdelijk dienstverband in een dienstverband voor onbepaalde tijd is eerst geregeld in de met ingang van 1 januari 1999 in werking getreden CAO NU. Tot die datum is dus geen sprake geworden van een aanstelling voor onbepaalde tijd (om werkzaamheden als oproepkracht te verrichten).
4.4. Voor het bepalen van de termijn die verstreken moet zijn om een tijdelijk dienst-verband te converteren in een dienstverband voor onbepaalde tijd, wordt, vanaf 1 januari 1999, in de CAO NU uitdrukkelijk uitgezonderd de tijd waarin werkzaamheden als oproepkracht worden verricht. Voor een conversie van het tijdelijke dienstverband als onderzoeksassistente is de tijd waarin appellante heeft gewerkt als oproepkracht dus niet relevant.
4.5. Nu voor het vaststellen van de voor een conversie vereiste termijn uitsluitend de onder 1.2. vermelde aanstelling als onderzoeksassistente van belang is, moet worden geconstateerd dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat noch de maximale aanstellingsduur noch het maximaal aantal verlengingen is overschreden, zodat (ook) uit dien hoofde geen aanspraak bestaat op een aanstelling voor onbepaalde tijd.
5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) O.C. Boute.