ECLI:NL:CRVB:2007:BA5940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3894 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende inspanning passende arbeid te verkrijgen

Appellant ging in hoger beroep tegen een beslissing van het UWV waarbij zijn WW-uitkering met 20% werd verlaagd gedurende 16 weken. Deze verlaging was gebaseerd op de constatering dat appellant in de periode van 20 juni 2005 tot en met 17 juli 2005 onvoldoende had geprobeerd passende arbeid te verkrijgen.

De rechtbank Maastricht had het beroep van appellant eerder ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel. De Raad stelt dat het hoger beroep geen nieuwe argumenten bevat die het eerdere oordeel kunnen wijzigen.

Het geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen zoals die golden ten tijde van het geschil. De Raad ziet geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en bevestigt daarom de verlaging van de WW-uitkering.

Daarnaast is overwogen dat er geen grond is voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken wordt bevestigd wegens onvoldoende inspanning passende arbeid te verkrijgen.

Uitspraak

06/3894 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 mei 2006, 05/2712 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. Rauh, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 11 april 2007. Partijen zijn -met voorafgaand bericht- niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Bij het besluit op bezwaar van 16 november 2005 heeft het Uwv gehandhaafd zijn beslissing van 24 augustus 2005, waarbij de WW-uitkering van appellant met ingang van 18 juli 2005 met 20% gedurende 16 weken is verlaagd. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant in de periode van 20 juni 2005 tot en met 17 juli 2005 in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep uitvoerig gemotiveerd ongegrond verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid, tot de zijne.
3.1. Hetgeen in hoger beroep namens appellant is aangevoerd, bevat een herhaling van wat in eerste aanleg is betoogd en door de rechtbank, als gezegd, op goede gronden is weerlegd, en behoeft derhalve geen verdere bespreking.
4. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.D.F. de Moor.