ECLI:NL:CRVB:2007:BA5941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering recht op WW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor overneming van achterstallige betalingsverplichtingen van zijn failliete voormalige werkgever, welke is afgewezen door het UWV op grond van artikel 23 van Pro de Werkloosheidswet (WW). Dit artikel bepaalt dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond verklaard.
In hoger beroep staat de vraag centraal of appellant zich kan beroepen op een bijzonder geval zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 WW Pro, waardoor het UWV zou kunnen afwijken van de termijn van 26 weken. De Raad oordeelt, net als de rechtbank, dat appellant dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Zijn beroep op onbekendheid met de wet- en regelgeving wordt niet als bijzonder geval erkend, conform vaste jurisprudentie.
De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft besloten de uitkering te weigeren omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking rechtvaardigen. Ook is geen grond voor vergoeding van proceskosten aanwezig. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het ontbreken van een bijzonder geval.