ECLI:NL:CRVB:2007:BA5941

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1764 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering recht op WW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor overneming van achterstallige betalingsverplichtingen van zijn failliete voormalige werkgever, welke is afgewezen door het UWV op grond van artikel 23 van Pro de Werkloosheidswet (WW). Dit artikel bepaalt dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond verklaard.

In hoger beroep staat de vraag centraal of appellant zich kan beroepen op een bijzonder geval zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 WW Pro, waardoor het UWV zou kunnen afwijken van de termijn van 26 weken. De Raad oordeelt, net als de rechtbank, dat appellant dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Zijn beroep op onbekendheid met de wet- en regelgeving wordt niet als bijzonder geval erkend, conform vaste jurisprudentie.

De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft besloten de uitkering te weigeren omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking rechtvaardigen. Ook is geen grond voor vergoeding van proceskosten aanwezig. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het ontbreken van een bijzonder geval.

Uitspraak

06/1764 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 februari 2006, 05/1834 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft het verweerschrift nader aangevuld bij brief van 3 oktober 2006.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007. Appellant is -met bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellant heeft op 18 augustus 2005 een aanvraag ingediend voor overneming van achterstallige betalingsverplichtingen van zijn voormalige werkgever [werkgever], welke werkgever per 16 september 2003 failliet is verklaard. Bij besluit van 25 augustus 2005 is die aanvraag afgewezen. Het tegen het besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 21 oktober 2005 ongegrond verklaard. Beide besluiten berusten op toepassing van artikel 23 van Pro de WW, waarbij is bepaald dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Gelet op de gedingstukken is alleen de vraag aan de orde of er ten aanzien van appellant sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van Pro de WW.
3.2. De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank ontkennend. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd komt neer op een beroep op onbekendheid met de wet- en regelgeving. Conform vaste jurisprudentie van de Raad wordt onbekendheid met de wet- en regelgeving niet als een bijzonder geval aangemerkt.
3.3. Op grond van het vorenoverwogene concludeert de Raad dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van Pro de WW, zodat het Uwv de bevoegdheid mist om af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin van dat artikel, en bij het bestreden besluit terecht uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW heeft geweigerd.
3.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.D.F. de Moor.