ECLI:NL:CRVB:2007:BA6271

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-419 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing studiefinanciering met ingang van oktober 2004 wegens ontbreken rechtens relevante toezegging

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het moment van toekenning van studiefinanciering, stellende dat haar telefonisch was toegezegd dat een aanvraag binnen de eerste zeven dagen van de maand nog met ingang van diezelfde maand zou worden gehonoreerd.

De IB-Groep had studiefinanciering toegekend met ingang van november 2004 na een aanvraag van 2 oktober 2004. De rechtbank had het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.

De Raad oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan door een medewerkster van de IB-Groep. Bovendien kon appellante geen naam noemen van de medewerkster en was de datum van het telefoongesprek onzeker.

De Raad benadrukt dat een positieve en rechtens relevante toezegging niet kan voortvloeien uit onvolledige of niet gedane mededelingen. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en blijft de toekenning van studiefinanciering met ingang van november 2004 gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de studiefinanciering wordt toegekend met ingang van november 2004.

Uitspraak

06/419 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (België) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 december 2005, 05/133 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 1 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar vader, H.A. Vermunt, hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellante is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft de IB-Groep appellante, naar aanleiding van haar aanvraag van 2 oktober 2004, studiefinanciering toegekend met ingang van
november 2004.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het moment van toekenning van de studiefinanciering: volgens appellante dient studiefinanciering te worden toegekend met ingang van 1 oktober 2004, nu haar door een medewerkster van het regiokantoor Sittard telefonisch is toegezegd dat een binnen de eerste zeven dagen van de maand bij de IB-Groep ontvangen aanvraagformulier nog met ingang van diezelfde maand wordt gehonoreerd. Bij besluit van 21 december 2004 is appellantes bezwaar tegen het besluit van 22 oktober 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellante tegen het besluit van 21 december 2004 ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij op grond van toezeggingen van een medewerkster van het regiokantoor van de Informatie Beheer Groep in Sittard erop mocht vertrouwen dat aan haar studiefinanciering zou worden toegekend met ingang van oktober 2004. Appellante heeft hieraan toegevoegd dat het fout is gegaan doordat de betreffende medewerkster heeft verzuimd erbij te zeggen dat de aanvraag dan wel moest worden gedateerd op uiterlijk 1 oktober 2004.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante op geen enkele wijze aannemelijk heeft weten te maken dat door de IB-Groep rechtens relevante toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan de IB-Groep gehouden zou zijn aan appellante met ingang van oktober 2004 studiefinanciering toe te kennen. Met name is niet aannemelijk geworden dat appellante haar aanvraagformulier heeft gedateerd op 2 oktober 2004 ten gevolge van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen van een medewerkster van de IB-Groep. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante niet alleen niet zeker is over de exacte datum van het bewuste telefoongesprek, maar dat zij tevens geen naam heeft kunnen noemen van de medewerkster met wie zij zou hebben gesproken, zodat de inhoud van het telefoongesprek niet vaststaat.
De Raad voegt daar aan toe dat appellante zich eigenlijk beroept op de onvolledigheid van de aan haar gegeven voorlichting. In dat verband overweegt de Raad dat een positieve en rechtens relevante toezegging door de IB-Groep in beginsel niet kan voortvloeien uit een niet gedane of onvolledige mededeling.
Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
MK