ECLI:NL:CRVB:2007:BA6273

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4130 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 EGArt. 2.14 Wsf 2000Art. 3:46 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering studiefinanciering voor buitenlandse opleiding zonder discriminatie

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond die het besluit van de IB-Groep bevestigde om geen studiefinanciering toe te kennen voor haar studie aan de European Business School London. De IB-Groep had de financiering geweigerd omdat de opleiding niet was aangewezen of gelijkgesteld volgens artikel 2.14 van de Wet studiefinanciering 2000.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de IB-Groep in haar verweerschrift alsnog een afdoende motivering gaf. Appellante stelde dat het weigeren van studiefinanciering een vorm van discriminatie naar nationaliteit was in strijd met artikel 12 EG Pro en een beperking van haar recht op vrij verkeer en verblijf binnen de EU.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen sprake was van discriminatie naar nationaliteit zoals bedoeld in artikel 12 EG Pro. Tevens was de IB-Groep niet verplicht om vooruitlopend op een wetswijziging onderzoek te doen naar de gelijkwaardigheid van de buitenlandse opleiding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van studiefinanciering bevestigd.

Uitspraak

06/4130 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 juni 2006, kenmerk 05/1799 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 1 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Mr. H.A.J. Kalsbeek, advocaat te Maastricht, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek te zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 8 juli 2005 heeft de IB-Groep geweigerd aan appellante per 1 september 2005 studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toe te kennen voor haar studie aan de European Business School London te Londen, omdat deze opleiding niet behoort tot de door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ingevolge artikel 2.14 van de Wsf 2000 aangewezen of daarmee gelijkgestelde buitenlandse opleidingen.
Bij besluit van 13 oktober 2005 (het bestreden besluit) heeft de IB-Groep appellantes bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 en Pro artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, omdat de IB-Groep in het geheel niet was ingegaan op de ingediende bezwaargronden en meer in het bijzonder de daarin vervatte verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 2005 in de zaak Bidar. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, van oordeel zijnde dat de IB-Groep in haar verweerschrift alsnog een afdoende motivering had verstrekt, welke motivering door de rechtbank volledig kon worden onderschreven.
Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.
Appellante handhaaft in hoger beroep haar stelling dat het niet toekennen van studiefinanciering voor haar studie aan de European Business School London een vorm van discriminatie is die op grond van artikel 12 EG Pro niet is toegestaan en een beperking van haar recht, als student, op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van een andere lidstaat oplevert. Zij is voorts van mening dat de IB-Groep, gelet op de ophanden zijnde aanpassingen van de Wsf 2000 betreffende de meeneembaarheid van studiefinanciering naar het buitenland, onderzoek had behoren te doen naar de mate van gelijkwaardigheid van de door appellante gekozen opleiding in het Verenigd Koninkrijk in vergelijking met soortgelijke opleidingen in Nederland.
Het hoger beroep treft geen doel. De rechtbank heeft met juistheid, op gronden die de Raad overneemt en tot de zijne maakt, geoordeeld dat er in casu geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit als bedoeld in artikel 12 EG Pro.
Er valt voorts geen regel van geschreven of ongeschreven recht aan te wijzen op grond waarvan de IB-Groep gehouden was om, vooruitlopend op een in voorbereiding zijnde wetswijziging, te onderzoeken of de door appellante gevolgde opleiding gelijkwaardig is aan soortgelijke opleidingen in Nederland.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
MK