ECLI:NL:CRVB:2007:BA6366

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1224 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kwijtschelding studieschuld met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant verzocht om kwijtschelding van zijn studieschuld met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1995, verwijzend naar een psychiatrische stoornis en onbekendheid met het kwijtscheldingsbeleid. De IB-Groep verleende wel kwijtschelding vanaf 1 september 2003, maar wees terugwerkende kracht af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de weigering van kwijtschelding over de periode van 18 september tot 27 november 2003 gegrond, waarna de IB-Groep alsnog kwijtschelding verleende vanaf 1 september 2003. Appellant ging in hoger beroep tegen het deel van de uitspraak dat zijn verzoek tot terugwerkende kracht afwees.

De Raad overwoog dat het kwijtscheldingsbeleid, dat alleen kwijtschelding van het resterende schuldrestant toestaat, niet onredelijk is en dat geen van de door appellant aangevoerde omstandigheden, waaronder zijn psychiatrische opname in de jaren 1995-1996 en latere behandelingen, noch zijn onbekendheid met het beleid, zodanig bijzonder zijn dat een uitzondering op het beleid gerechtvaardigd is.

Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kwijtschelding met terugwerkende kracht bevestigd.

Uitspraak

06/1224 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 januari 2006, kenmerk 04/1346 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 1 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. Van de Wege. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 18 juni 2004 heeft de IB-Groep een door appellant op 27 november 2003 gedaan verzoek om hem op medische gronden zijn studieschuld kwijt te schelden ingewilligd met ingang van 1 december 2003.
Bij besluit van 28 september 2004 (het bestreden besluit) heeft de IB-Groep het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 juni 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de woorden: "wegens structurele medische omstandigheid" die door appellant worden vermeld op de door hem op 18 september 2003 ingezonden briefkaart waarmee hij zijn machtiging tot automatische betaling heeft ingetrokken, als eerste verzoek om kwijtschelding was aan te merken. In verband daarmee heeft zij het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de weigering tot kwijtschelding van de termijnen van de studieschuld over de periode van 18 september 2003 tot 27 november 2003. De IB-Groep heeft in de aangevallen uitspraak berust en ter uitvoering daarvan bij besluit van 31 januari 2006 alsnog kwijtschelding met ingang van 1 september 2003 verleend.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover daarbij zijn beroep ongegrond is verklaard. Hij meent dat hij reeds in 1995 aan de voorwaarden van het hem toen niet bekende kwijtscheldingsbeleid voldeed. Met zijn hoger beroep beoogt appellant te bewerkstelligen dat hem alsnog met ingang van 1 januari 1995 kwijtschelding wordt verleend.
De IB-Groep stelt daar tegenover dat het kwijtscheldingsbeleid niet voorziet in kwijtschelding met terugwerkende kracht en dat er in casu geen zeer bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan, in afwijking van het beleid, wel kwijtschelding met terugwerkende kracht zou moeten worden verleend.
De Raad overweegt het volgende.
De wet voorziet in een tweetal situaties in kwijtschelding c.q. tenietgaan van nog resterende studieschuld: bij het einde van de aflosfase en bij overlijden. Met toepassing van de hardheidsclausule heeft de IB-Groep de genoemde, bij de wet voorziene gevallen uitgebreid met een drietal verwante situaties:
-indien de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;
-indien de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt; en
-indien de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is.
Ook in deze situaties gaat het om de nog resterende schuld.
Naar het oordeel van de Raad kan dit beleid, ook voor zover daarbij de kwijtschelding wordt beperkt tot het schuldrestant, tegen de achtergrond van de wettelijk geregelde situaties geenszins als onredelijk worden aangemerkt.
Het geding spitst zich bijgevolg toe op de vraag of de IB-Groep op grond van bijzondere omstandigheden een uitzondering op haar beleid had behoren te maken.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Noch de psychiatrische stoornis waarvoor appellant in de jaren 1995 en 1996 op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis was opgenomen en waarvoor hij in latere jaren kortdurende opnames en dagbehandelingen heeft ondergaan, noch zijn onbekendheid met het bestaan van het kwijtscheldingsbeleid, noch enig ander hem betreffend feit kan worden gekwalificeerd als een zodanig bijzondere omstandigheid dat de IB-Groep op grond daarvan een uitzondering op haar beleid had behoren te maken.
Het hoger beroep treft aldus geen doel. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.