AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar tegen de weigering van een Wajong-uitkering ongegrond verklaarde. Het UWV had op 14 maart 2003 besloten de uitkering te weigeren omdat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij op psychische gronden arbeidsongeschikt is en een verklaring van haar behandelend psychiater overgelegd. De Raad heeft een onafhankelijk deskundige, prof. dr. G.F. Koerselman, laten onderzoeken. Uit zijn verslag blijkt dat appellante lijdt aan ADHD sinds haar jeugd en dat de beperkingen in haar belastbaarheid vanaf haar 17e ononderbroken aanwezig zijn, maar dat deze beperkingen niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan vastgesteld door de verzekeringsarts van het UWV.
De Raad volgt het oordeel van de deskundige en acht de geselecteerde functies, behalve printmonteur, geschikt voor appellante. De bezwaren van appellante en haar gemachtigde tegen het deskundigenrapport worden niet gevolgd omdat deze niet medisch onderbouwd zijn. Het oordeel van de deskundige is doorslaggevend. De Raad ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 AwbPro en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak
05/701 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 januari 2005, 03/2172 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De psychiater prof. dr. G.F. Koerselman heeft als deskundige appellante onderzocht en van dat onderzoek onder dagtekening 13 maart 2007 verslag uitgebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 18 juli 2003, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 14 maart 2003, waarbij appellante met ingang van 23 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is geweigerd omdat het Uwv haar voor minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van die wet acht.
De rechtbank heeft zich met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid kunnen verenigen. De voor appellante geselecteerde functies acht de rechtbank in medisch opzicht voor appellante geschikt.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij op psychische gronden arbeidsongeschikt is. Zij heeft een verklaring van haar behandelend psychiater overgelegd.
De Raad heeft appellante door de psychiater prof. Koerselman als onafhankelijk en onpartijdig deskundige laten onderzoeken.
Uit het verslag van prof. Koerselman blijkt dat appellante al vanaf haar jeugd aan de stoornis ADHD lijdt. Voorts blijkt uit zijn verslag dat hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts van het Uwv vastgestelde beperkingen in de belastbaarheid van appellante.
Die beperkingen hebben volgens prof. Koerselman bij appellante vanaf de leeftijd van 17 jaar ononderbroken voortbestaan en waren op 23 november 2001 van toepassing.
De Raad verenigt zich met het oordeel van zijn deskundige. Uit de rapportage van prof. Koerselman blijkt dat hij de opvatting van de behandelend psychiater van appellante kent maar gemotiveerd tot een andere inschatting van appellantes belastbaarheid komt.
De bedenkingen die appellantes gemachtigde ter zitting tegen de rapportage van prof. Koerselman heeft geuit komen erop neer dat appellante in de praktijk niet lang geconcentreerd kan werken. In deze is het oordeel van 's Raads deskundige en niet de subjectieve, en niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellante of haar gemachtigde voor de Raad doorslaggevend.
Voorts merkt de Raad op dat prof. Koerselman vraagtekens zet bij de functiebelasting in de functie van printmonteur maar de andere geselecteerde functies uit psychiatrisch oogpunt voor appellante geschikt acht.
Wordt de functie van printmonteur buiten beschouwing gelaten dan blijven er voldoende functies over om de onderhavige schatting te kunnen dragen, zoals uit het rapport van 12 maart 2003 van de arbeidsdeskundige R. van de Poel blijkt.
De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.