ECLI:NL:CRVB:2007:BA6443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2993 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit ondanks betwisting geschiktheid functies

Appellante stelde in hoger beroep dat de geselecteerde functies medisch ongeschikt voor haar waren, maar deze stellingen werden niet onderbouwd met medische gegevens en waren reeds door de rechtbank verworpen. De Raad oordeelde dat er geen aanleiding was om anders te beslissen dan de rechtbank.

Kort voor de zitting werd een herziening van de WAO-uitkering per 16 oktober 2006 naar 80-100% arbeidsongeschiktheid overgelegd, maar dit deed niet af aan de beoordeling van de situatie op 20 april 2001. Het oordeel van de verzekeringsarts over een andere datum werd niet doorslaggevend geacht.

De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden en dat er geen gronden zijn om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank Utrecht gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

05/2993 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 april 2005, 04/2891 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 3 mei 2007 heeft mr. M.S. Kerkhof-Pöttger, eveneens werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, stukken in geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kerkhof- Pöttger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.
II. OVERWEGINGEN
Ter uitvoering van een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 december 2003, 03/215, heeft het Uwv bij besluit van 28 september 2004 appellante met ingang van 20 april 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding,
20 april 2001, juist is vastgesteld. Voorst heeft de rechtbank verwijzend naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten van 21 mei 2004 en de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga van 20 juli 2004 de voor appellante geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt geacht uitgaande van de datum 20 april 2001.
In hoger beroep is namens appellante wederom aangevoerd dat de geselecteerde functies wat betreft een aantal medische aspecten voor appellante niet geschikt zijn.
De Raad heeft in hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gezien om over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
De stellingen van appellante in hoger beroep met betrekking tot die geschiktheid zijn niet met medische gegevens onderbouwd en reeds door de rechtbank met verwijzing naar de hiervoor genoemde rapporten verworpen. De Raad oordeelt over die stellingen niet anders dan de rechtbank heeft gedaan en heeft aan de aangevallen uitspraak niets toe te voegen.
De kort voor de zitting van de Raad overgelegde stukken waaruit blijkt dat appellantes uitkering ingevolge de WAO met ingang van 16 oktober 2006 door het Uwv is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% doen de Raad niet anders oordelen.
Daarbij heeft de Raad onder meer in aanmerking genomen dat appellante in beroep en hoger beroep uitsluitend heeft betwist dat de functies in medisch opzicht voor haar geschikt waren op 20 april 2001, welke grief hiervoor reeds is verworpen.
Ook kan de Raad geen doorslaggevende betekenis toekennen aan het oordeel van de verzekeringsarts P. Schoorl over appellantes belastbaarheid op de datum 23 januari 2001 in zijn rapport van 5 juli 2006 dat aan die herziening ten grondslag ligt.
Schoorl heeft in het geheel niet duidelijk gemaakt waarom hij 23 januari 2001, welke datum niet spoort met de datum die thans in geding is, heeft gekozen als eerste dag van arbeidsongeschiktheid.
Voorts had hij volgens mr. Belder ook geen opdracht om een dergelijke beoordeling met een terugwerkende kracht van
5 jaar te doen, nu appellante door hem moest worden onderzocht in het kader van een herbeoordeling in verband met het gewijzigde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
Bovendien kan de Raad in het rapport van Schoorl niet lezen dat hij appellante reeds op 23 januari 2001 in het geheel niet belastbaar met arbeid en dus volledig arbeidsongeschikt acht. De opmerking van Schoorl in zijn rapport dat appellantes aandoening, reumatoïde artritis, progressief van aard is, wijst ook in die richting.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.