ECLI:NL:CRVB:2007:BA6603

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3269 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WAO-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Amsterdam had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat appellant met de vastgestelde medische beperkingen in staat is tot het verrichten van arbeid.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven grotendeels, waaronder het verzoek om aanhouding van de zaak om een rapport van zijn behandelend psycholoog te verkrijgen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er voldoende medische gegevens aanwezig zijn om een afgewogen oordeel te vellen en dat het verzoek tot aanhouding werd afgewezen omdat de psycholoog recent was begonnen met de behandeling en weinig kon zeggen over de situatie op de datum van belang.

De Raad onderschreef de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door het UWV en de juistheid van de conclusies. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarmee de weigering van de WAO-uitkering gehandhaafd blijft.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/3269 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2005, 04/806 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.J.P. Liefting, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.L.D. Thomas, kantoorgenoot van mr. Liefting, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 29 juni 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder overweging dat appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is. Bij besluit van 16 maart 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geoordeeld dat zij uit de beschikbare medische gegevens heeft afgeleid dat appellant met enige beperkingen in staat moet worden geacht tot het verrichten van arbeid. De functies alsmede de maatgevende arbeid zijn naar het oordeel van de rechtbank geschikt voor appellant, nu het arbeid betreft waartoe appellant met de door de verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen in staat is. Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellant zijn tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven grotendeels herhaald.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.
De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad.
Wat betreft de grief met betrekking tot het verzoek om de zaak aan te houden om de behandelend psycholoog van appellant de gelegenheid te geven te rapporteren overweegt de Raad het volgende. De Raad is van oordeel dat er voldoende medische gegevens in het dossier aanwezig zijn om tot een afgewogen oordeel te komen. De Raad stelt verder vast dat appellant zeer recentelijk onder behandeling is gekomen bij deze psycholoog zodat zij weinig zal kunnen aanvoeren over de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding, 29 juni 2003. Het verzoek om aanhouding wordt dan ook afgewezen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.