ECLI:NL:CRVB:2007:BA6858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met broer
Appellant diende op 11 november 2005 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam kende bij besluit van 8 maart 2006 bijstand toe volgens de norm voor een alleenstaande, maar trok deze bijstand met ingang van 14 december 2005 weer in vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn broer bij wie hij inwoont.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad stelde vast dat het huisbezoek, uitgevoerd door handhavingsmedewerkers, gerechtvaardigd was vanwege twijfel over de woon- en leefsituatie van appellant. Uit het huisbezoek bleek dat appellant en zijn broer hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden en dat sprake was van wederzijdse verzorging, wat voldoet aan de criteria van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, WWB.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant geen zelfstandig recht op bijstand had omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde. De intrekking van de bijstand was daarmee terecht. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding met broer wordt bevestigd.