ECLI:NL:CRVB:2007:BA7131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende objectieve medische onderbouwing
Appellante ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na uitval in 2002. Het UWV trok deze uitkering in 2004 omdat de arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat appellante haar stellingen over beperkingen niet met objectiveerbare medische gegevens had onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV ten onrechte geen rekening had gehouden met de diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom en dat de gebruikte functies niet haalbaar waren vanwege haar energetische beperkingen. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen het klachtenpatroon hadden beoordeeld conform de richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC) en dat er geen nieuwe medische feiten waren die het oordeel konden wijzigen.
De Raad benadrukte dat de diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom bij appellante gebaseerd was op subjectieve klachten zonder objectieve medische afwijkingen. Volgens vaste jurisprudentie kan een subjectief klachtenpatroon niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zonder objectieve medische gronden.
De arbeidskundige schatting was deugdelijk en de functies passend, ook als de functie wikkelaar verviel. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Arnhem.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende objectieve medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.