ECLI:NL:CRVB:2007:BA7131

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-536 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende objectieve medische onderbouwing

Appellante ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na uitval in 2002. Het UWV trok deze uitkering in 2004 omdat de arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat appellante haar stellingen over beperkingen niet met objectiveerbare medische gegevens had onderbouwd.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV ten onrechte geen rekening had gehouden met de diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom en dat de gebruikte functies niet haalbaar waren vanwege haar energetische beperkingen. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen het klachtenpatroon hadden beoordeeld conform de richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC) en dat er geen nieuwe medische feiten waren die het oordeel konden wijzigen.

De Raad benadrukte dat de diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom bij appellante gebaseerd was op subjectieve klachten zonder objectieve medische afwijkingen. Volgens vaste jurisprudentie kan een subjectief klachtenpatroon niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zonder objectieve medische gronden.

De arbeidskundige schatting was deugdelijk en de functies passend, ook als de functie wikkelaar verviel. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Arnhem.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende objectieve medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/536 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 december 2004, 04/1799 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 2 november 2005 en 29 januari 2007 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. Van Etten, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.
II. OVERWEGINGEN
Na uitval in februari 2002 wegens vermoeidheid voor haar in een omvang van 32 uur per week verrichte werkzaamheden als medewerkster voorlichting en educatie, is appellante per het einde van de wettelijke wachttijd van 52 weken in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Bij besluit van 28 januari 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 maart 2004 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.
Bij besluit van 5 juli 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 januari 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de voor appellante door de verzekeringsartsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante haar stelling dat zij meer beperkingen ondervindt als gevolg van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom niet heeft onderbouwd met medische objectiveerbare gegevens. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen functies. De door de bezwaararbeidsdeskundige verstrekte motivering biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag voor de conclusie dat die functies als passend kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante haar opvatting staande gehouden dat de verzekeringsartsen van het Uwv ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de - naderhand - voor haar klachten gestelde diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom. Zij acht zich beduidend minder belastbaar dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens appellante overwogen dat zij haar opvatting niet aan de hand van objectiveerbare medische gegevens heeft onderbouwd. Het Uwv is namelijk, aldus appellante, gehouden om op basis van de richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidcriterium (MAOC) haar belastbaarheid op juiste wijze vast te stellen. De bij de schatting gebruikte functies zijn volgens appellante, gegeven de energetische beperkingen waarmee zij te kampen heeft als gevolg van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom, niet haalbaar voor haar, in het bijzonder vanwege de daarmee gepaard gaande werkdruk. Ten slotte heeft appellante ook nog als grief geuit dat de functie wikkelaar op de datum in geding niet meer voldoende actueel is.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om mee te kunnen gaan met de eigen opvatting van appellante dat haar beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat.
De verzekeringsarts heeft op basis van het door hem ingestelde onderzoek geconcludeerd dat aan de klachten van appellante geen medisch te objectiveren afwijking ten grondslag ligt. Om enigszins tegemoet te komen aan haar klachtenbeleving heeft de verzekeringsarts niettemin enige beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts, die blijkens diens rapport van 25 mei 2004 bekend was met de zienswijze dat het klachtenbeeld van appellante passend was bij het Chronisch Vermoeidheidssyndroom, heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om ervan uit te gaan dat de verzekeringsarts zijn oordeel over de beperkingen en mogelijkheden van appellante onvoldoende heeft onderbouwd. Nu voorts van de zijde van appellante in de bezwaarfase geen nieuwe medische feiten zijn aangedragen die het oordeel met betrekking tot haar beperkingen doen wijzigen, heeft de bezwaarverzekeringsarts zich kunnen verenigen met de beoordeling van de primaire verzekeringsarts.
De Raad heeft geen aanleiding om de bezwaarverzekeringsarts in evenvermelde conclusies niet te volgen. De Raad heeft daarbij mede laten wegen dat ook in hoger beroep niet is kunnen blijken van medische gegevens die appellante steunen in haar opvatting dat zij aanmerkelijk meer beperkt is dan waarvan het Uwv is uitgegaan. De bij het aanvullend beroepschrift gevoegde rapporten van respectievelijk de internist J.P. van den Berg en de internisten dr. A.B. van Nunen en dr. J. Deinum, bevatten ook niet zodanige gegevens, nu in het rapport van eerstgenoemde arts is aangegeven dat bij onderzoek van appellante geen onderliggend internistisch/somatisch lijden kon worden aangetoond, in verband waarmee per exclusionum de diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom kan worden gesteld en in het rapport van beide andere artsen eveneens wordt aangegeven dat bij lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek geen medische verklaring voor de vermoeidheid kon worden gevonden en dat de klachten van appellante goed passen in het kader van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom.
Gelet op hetgeen dienaangaande van de zijde van appellante naar voren is gebracht, overweegt de Raad voorts dat hij zich niet kan verenigen met de opvatting van appellante dat door het Uwv in strijd is gehandeld met de - in het van toepassing zijnde Schattingsbesluit gecodificeerde - richtlijn MAOC. Naar de Raad vaker van zijn oordeel heeft doen blijken beoogt die richtlijn door een interpretatie van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium uitgangspunten voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren, en is deze derhalve te beschouwen als een werkinstructie aan verzekeringsartsen, waarin de verschillende facetten van de door een verzekeringsarts te verrichten beoordeling aan de orde komen.
De Raad ziet geen grond voor de opvatting dat het ingestelde verzekeringsgeneeskundige onderzoek, zoals op grond van die richtlijn is vereist, niet voldoende serieus gericht is geweest op objectivering van appellantes klachten. Wat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling ten materiele betreft, is in voornoemde richtlijn nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de vaste jurisprudentie van de Raad inzake het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip, volgens welke jurisprudentie het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip aldus dient te worden uitgelegd dat van arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voor zover derhalve het namens appellante gehouden betoog aldus zou moeten worden begrepen dat onder de werking van de richtlijn MAOC niet langer de eis zou gelden dat beperkingen, willen deze tot uitkering kunnen leiden, aantoonbaar dienen te berusten op ziekte of gebreken, dan berust dat betoog op een onjuist uitgangspunt.
Uit het bovenstaande komt naar voren dat, voor zover door artsen bij appellante de diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom is gesteld, zulks is geschied bij ontstentenis van enige andere oorzaak die kan dienen ter verklaring van haar klachten. Die diagnosestelling berust aldus uitsluitend op het subjectieve klachtenpatroon van appellante. In het licht van de hiervoor bedoelde vaste rechtspraak van de Raad inzake de uitleg van het wettelijke arbeidsongeschiktheidsbegrip, kan een zodanig subjectief klachtenpatroon op zich niet worden aanvaard als een toereikende basis voor het aannemen van (een grotere mate van) arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten.
De Raad concludeert aldus dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten. Daarvan uitgaande is de Raad, ten slotte, ook van oordeel dat de onderhavige schatting berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. De Raad laat daarbij, onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, in het midden of de functie wikkelaar terecht als onderdeel van die grondslag in aanmerking is genomen, nu ook bij het vervallen van die functie nog een voldoende aantal passende functies resteert en zulks niet tot een andere schattingsuitkomst leidt. De Raad acht de passendheid van de functies genoegzaam onderbouwd en vermag appellante met name niet te volgen in haar opvatting dat de functies in verband met de daaraan verbonden werkdruk of andersoortige stresserende aspecten voor haar niet geschikt zijn. Zulks geldt ook voor de functie schadecorrespondent die in beeld komt als vervangende functie indien de functie van wikkelaar zou komen te vervallen.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.