ECLI:NL:CRVB:2007:BA7136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens motiveringsgebrek bij WAO-schatting
Appellant, arbeidsongeschikt sinds 1997 door rug- en beenklachten, kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Na herbeoordeling werd dit percentage bijgesteld naar 25-35% op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en arbeidskundige rapportages. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegenomen, met name dat de geduide functies niet voldeden aan de vereiste afwisseling van houdingen en dat hij het Nederlands onvoldoende beheerst.
De rechtbank handhaafde het besluit van het UWV, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit niet in stand kon blijven wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de motivering van de geschiktheid van de geduide functies onvoldoende was. De Raad stelde vast dat de arbeidskundige beoordeling een niet-toegestane relativering van de functionele mogelijkheden van appellant bevatte, doordat de uitleg van de belastbaarheid afweek van de FML.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, en bepaalde dat het UWV binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd vergoeding van het betaalde griffierecht toegekend.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en het UWV moet een nieuw besluit nemen.