ECLI:NL:CRVB:2007:BA7330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken ziekte of gebrek
Appellant viel op 28 november 2001 uit zijn functie als assistent conciërge en verzocht om een WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek op 14 maart 2003 af omdat geen sprake was van ziekte of gebrek zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO. Na vernietiging van een eerder besluit werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard op 9 december 2004. De rechtbank oordeelde dat de medische onderzoeken van de verzekeringsartsen zorgvuldig waren en geen aanwijzingen boden voor arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn fysieke en psychische klachten onvoldoende waren onderzocht en verwees naar de visie van zijn behandelende sector, waaronder een psychiater. De Raad volgde dit niet, omdat de bevindingen van de behandelende sector expliciet waren betrokken bij de heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts. De Raad vond voldoende steun in de medische gegevens voor de conclusie dat er geen relevante arbeidsbeperking was terug te voeren op ziekte of gebrek.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door J.W. Schuttel op 8 juni 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens ontbreken van ziekte of gebrek.