ECLI:NL:CRVB:2007:BA7442

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-836 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 35-45%

Appellante ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 28 januari 2002 te verlagen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Zij stelde dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was, omdat zij niet door de bezwaarverzekeringsarts was onderzocht, en dat op medische gronden een urenbeperking moest worden aangenomen.

De rechtbank oordeelde dat het dossieronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren dat de medische gegevens onjuist waren. Ook de brief van de revalidatiearts, waarin werd gesteld dat appellante niet meer dan 3 dagen van 6 uur kon werken, bood geen aanleiding tot twijfel omdat deze niet betrekking had op de relevante datum en de klachten niet waren geobjectiveerd.

Het arbeidskundig onderzoek wees uit dat appellante met functies als portier, telefonist taxicentrale en beambte veiligheidsdienst een inkomen kon verdienen dat overeenkomt met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Appellante bracht geen tegenbewijs dat deze functies haar belastbaarheid zouden overschrijden.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en bevestigde het bestreden besluit. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door R.C. Stam op 15 juni 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/836 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2004, 04/2252 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft L.C. van der Hulst, werkzaam bij ACOM, CNV-bond van Militairen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2007, waar appellante met bericht van verhindering niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H.I. van Kuilenburg.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 4 december 2002 (het bestreden besluit) waarbij is gehandhaafd het besluit van 27 november 2001. Met het besluit van 27 november 2001 is de eerder aan
appellante toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 28 januari 2002 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante op 28 januari 2002 weliswaar door ziekte of gebrek buiten staat is tot het verrichten van het werk als wachtmeester, maar desondanks gangbare arbeid kan verrichten waardoor een loonverlies van ongeveer 39% optreedt.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen, waarbij appellante eiseres en het Uwv verweerder zijn genoemd:
“Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts R. Bhaggoe van 27 juni 2001 en de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers van 2 oktober 2002, is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder vastgestelde belastbaarheid van eiseres per 28 januari 2002. Verweerder heeft vanwege de rechterknieaandoening diverse lichamelijke beperkingen aangenomen. Indien rekening wordt gehouden met deze beperkingen is eiseres volgens verweerder duurzaam belastbaar te achten. Verweerder heeft mitsdien geen medische urenbeperking aangehouden.
Eiseres heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest, aangezien zij ten onrechte niet is onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts. Deze grief treft geen doel. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts eiseres niet heeft onderzocht maar heeft volstaan met een dossieronderzoek, niet tot de conclusie kan voeren dat de medische voorbereiding van het bestreden besluit om die reden strijdig moet worden geacht met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voorts heeft de rechtbank in dit oordeel laten meewegen dat er geen aanknopingspunten zijn gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn rapportage is uitgegaan van onjuiste gegevens.
Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat op medische gronden een urenbeperking aangenomen moet worden, in welk verband onder meer een brief van de revalidatiearts W.J. Wertheim van 28 april 2004 in het geding is gebracht. Daarin is opgemerkt dat eiseres op 16 april 2004 is onderzocht, dat daarbij geen tekenen van dystrofie zijn gevonden, maar anamnestisch is gebleken dat eiseres niet meer dan 3 dagen van 6 uur kan werken. Deze brief biedt geen aanleiding voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit, reeds omdat deze brief geen betrekking heeft op de gezondheidssituatie van eiseres op de in dit geding van belang zijnde datum van 28 januari 2002. Afgezien daarvan zijn met het door Wertheim verrichte onderzoek de door eiseres gestelde klachten niet geobjectiveerd. De rechtbank verenigt zich daarom met de door verweerder ten aanzien van eiseres in aanmerking genomen medische beperkingen. In dit verband merkt de Raad nog op dat eiseres duurzaam belastbaar wordt geacht omdat in het belastbaarheidspatroon reeds rekening is gehouden met de beperkingen vanwege de knieklachten. De rechtbank acht dit niet onbegrijpelijk.
Geoordeeld moet worden dat eiseres op 28 januari 2002 in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid.
In het kader van het arbeidskundig onderzoek zijn functies geduid die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, te weten portier (fb-code 5992), telefonist taxicentrale (fb-code 3801) en beambte veiligheidsdienst (fb-code 5899). Deze functies zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid. Eiseres heeft geen stellingen aangevoerd die ertoe strekken dat de belasting in deze functies de door de rechtbank onderschreven belastbaarheid van eiseres overschrijdt. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat zulks niet het geval is.
Uit het arbeidskundig onderzoek blijkt voorts dat eiseres met de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen dat zij voor 35% tot 45% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen dat zij voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.”
De Raad onderschrijft deze overwegingen. Ook in hoger beroep heeft appellante geen argumenten naar voren gebracht die de Raad doen twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische en arbeidskundige oordeel. De grieven van appellante tegen de aangevallen uitspraak slagen daarom niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2007.
(get.) R.C. Stam.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.