Art. 24, tweede lid, onder b, WWArt. 27, eerste lid, WWArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op eigen verzoek
Appellant beëindigde zijn dienstverband per 1 november 2005 op eigen verzoek, met als redenen onder meer opleiding, meer werkuren, slechte werksfeer, rugklachten en een beschuldiging van lastigvallen. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overweegt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voortzetten van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. De door appellant aangevoerde aanvullende argumenten, zoals rugklachten en de beschuldiging, brengen geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en rechtvaardigen het ontslag niet. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of dringende redenen zoals bedoeld in de WW.
De Raad concludeert dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft geweigerd. Tevens wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak van de rechtbank Maastricht wordt daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.
Uitspraak
06/3411 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 mei 2006, 06/369 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Nadien zijn van de zijde van appellant brieven ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 augustus 2006 heeft J.M.W. Hurxkens, werkzaam bij Vakbond ABW te Heerlen de Raad verzocht hem aan te merken als gemachtigde van appellant.
De behandeling van het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 17 januari 2007. Partijen zijn -appellant met bericht- niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Appellant was laatstelijk werkzaam bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Op verzoek van appellant is het dienstverband met de werkgever met ingang van 1 november 2005 beëindigd. Appellant heeft op de aanvraag WW-uitkering aangegeven ontslag te hebben genomen in verband met opleiding, het feit dat hij meer uren moest werken, de werksfeer (pesten op de werkvloer) en het feit dat hij geen arbeidsvreugde meer had. Hangende de aanvraag WW heeft appellant zijn aanvraag nader gemotiveerd en nog twee redenen aangevoerd waarom hij ontslag op eigen verzoek heeft genomen, namelijk in verband met rugklachten (hij moest te zwaar tillen terwijl hij tot 20 kg mocht tillen) en de beschuldiging dat hij een meisje werkzaam bij dezelfde werkgever had lastig gevallen.
2.2. Bij besluit van 2 november 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij per 1 november 2005 geen WW-uitkering kan krijgen, omdat hij door ontslag te nemen zonder dat dit noodzakelijk was, verwijtbaar werkloos is geworden. Bij het bestreden besluit van 2 februari 2006 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak -waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder- heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:
“Blijkens eisers aanvraag WW (gedingstuk 15.1) en de bevestiging van de werkgever inzake ontslagname door eiser (gedingstuk 1.1) heeft eiser zelf ontslag genomen. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) is in het algemeen een werknemer, die uit eigen beweging ontslag neemt, verwijtbaar werkloos geworden, tenzij van de werknemer in redelijkheid niet verlangd kon worden het dienstverband nog langer voort te zetten.
Van zodanige omstandigheden is de rechtbank echter niet gebleken. De rechtbank stelt vast dat er voor eiser geen acute noodzaak was tot het nemen van ontslag, omdat eiser bij zijn werkgever een dienstverband had voor onbepaalde tijd (zie gedingstuk 1.3, artikel 1). De rechtbank kan zich evenwel voorstellen -uitgaande van de juistheid van eisers beweringen- dat eiser weinig animo had om in dienst te blijven, maar vanuit oogpunt van toepassing van de WW is ontslag nemen in die situatie niet gerechtvaardigd. Voorts is niet gebleken dat eiser alvorens ontslag te nemen al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om te voorkomen dat hij door die ontslagname werkloos zou worden. Het had in eisers geval namelijk voor de hand gelegen dat eiser de werkgever -al dan niet in rechte- op zijn verplichtingen zou hebben aangesproken. Eiser heeft dit nagelaten (zie tevens de uitspraak van de CRvB van 5 november 2003, USZ 2004,9).
Van feiten of omstandigheden die wijzen op verminderde verwijtbaarheid is de rechtbank in dit geval niet gebleken. Ook is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in het zesde lid van artikel 27 vanPro de WW.”
4. Onder herhaling van hetgeen reeds in beroep naar voren is gebracht heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat er twee argumenten niet behandeld zijn door het Uwv en de rechtbank, namelijk zijn argument met betrekking tot zijn rugklachten en het lastig vallen van het meisje.
5. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. Voor de Raad ligt ter beantwoording de vraag voor of de rechtbank moet worden gevolgd in het oordeel dat appellant de dienstbetrekking heeft beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
6.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met wat in eerste aanleg naar voren is gebracht, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot zijn rugklachten en het valselijk beschuldigd worden van het lastig vallen van een meisje, kan de Raad (wat daarvan overigens zij) niet tot het door appellant gewenste resultaat leiden omdat ook in die omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging ligt om het werk zonder meer voor gezien te houden. Ook de Raad is derhalve van oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW en dat niet is gebleken van de in artikel 27, eerste lid, van de WW bedoelde situatie waarin sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
7. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.