ECLI:NL:CRVB:2007:BA7513

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4849 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn WAO-uitkering door het UWV, nadat het UWV aanvankelijk weigerde een uitkering toe te kennen en later een gedeeltelijke toekenning van 15-25% arbeidsongeschiktheid herzag. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en appellant geschikt was voor de voorgestelde functies.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de belasting van de hem aangewezen functies zijn belastbaarheid overstijgt. De Raad heeft echter geoordeeld dat de rechtbank deze gronden terecht heeft verworpen, mede omdat de informatie van de behandelend psychiater geen nieuw licht wierp op de situatie.

Appellant heeft ter zitting een recente diagnose van een rughernia genoemd, maar de Raad acht dit onvoldoende om de klachten op het moment van de oorspronkelijke beslissing te verklaren. Ook het betoog dat de functies onvoldoende houdingswisseling bieden, is verworpen omdat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voorziet in een maximale duur van zitten en staan en daarmee een preventief karakter heeft.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/4849 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2005, 05/54 (de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak en nadere informatie van de appellant behandelende psychiater in het geding gebracht.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 4 mei 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. Stoppelenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 10 mei 2002 heeft het Uwv geweigerd appellant na ommekomst van de wettelijke wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 27 december 2004 tot herroeping van het besluit van 10 mei 2002 en de toekenning van een WAO-uitkering met ingang van 13 mei 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.
In de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen, samengevat, dat zij niet twijfelt aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant geschikt is voor de hem als geschikt voorgehouden functies.
In hoger beroep heeft appellant als beroepsgronden herhaald dat zijn uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen zijn onderschat en dat de belasting in de hem als geschikt voorgehouden functies zijn belastbaarheid overstijgt.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank deze beroepsgronden terecht en met de juiste motivering heeft verworpen. Met de informatie van de appellant behandelende psychiater heeft de bezwaarverzekeringsarts rekening gehouden. De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van deze arts werpt geen ander licht op de reeds bekende gegevens.
Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat zeer recent een rughernia is geconstateerd. Ook als de Raad uitgaat van de juistheid van dit gegeven, is dit, anders dan appellant heeft betoogd, onvoldoende om aan te nemen dat deze aandoening (achteraf) de klachten van appellant op 13 mei 2002 verklaart.
Evenmin kan de Raad volgen in zijn ter zitting nader uitgewerkte betoog dat de hem als geschikt voorgehouden, overwegend zittend uitgevoerde werkzaamheden onvoldoende gelegenheid bieden tot in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als toelichting op diverse aspecten vervatte voorwaarde van houdingswisseling. De afwisseling in zitten en staan is in de FML verzekerd door de maximering op de aspecten zitten en staan (beide maximaal een half uur achtereen). Het betoog van appellant steunt op de gedachte dat vertreden is aangewezen bij het opkomen van klachten. De in de FML verlangde afwisseling in houding heeft veeleer een preventief karakter.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2007.
(get.) R.C. Stam.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.