ECLI:NL:CRVB:2007:BA7549

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3028 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende loonverlies

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WAO-uitkering toe te kennen, omdat zijn beperkingen door ziekte niet zouden leiden tot een loonverlies van ten minste 15%.

De rechtbank Rotterdam had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Het hoger beroep richtte zich op de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het medisch oordeel van het UWV en de rechtbank dat appellant wel beperkingen ondervindt, maar niet verhinderd is gangbare arbeid te verrichten met een loonverlies van minder dan 15%. De aanvullende rapportages van een orthopedisch chirurg en een spiritueel genezer bieden geen aanleiding tot een ander oordeel.

De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.

Uitspraak

05/3028 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2005, 04/3174 (de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, het hoger beroep gemotiveerd onder overlegging van een op 28 juni 2005 gedateerde rapportage van de orthopedisch chirurg O. Schreuder en nadien ingezonden een op 30 mei 2005 gedateerd verslag van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Dans.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en geantwoord op een vraag van de Raad.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 4 mei 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 27 september 2004 tot handhaving van het besluit van 1 juni 2004, waarbij het Uwv heeft geweigerd om appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd per 7 april 2003 in aanmerking te brengen van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant weliswaar door ziekte of gebrek beperkingen ondervindt tot het verrichten van zijn werk als assistent huismeester, maar hierdoor niet was verhinderd tot het verrichten van gangbare arbeid, zodat een loonverlies resteert van minder dan 15%.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen er van in stand gelaten. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
In de aangevallen uitspraak is overwogen dat de rechtbank geen aanleiding ziet tot twijfel aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende, na zorgvuldig onderzoek tot stand gekomen medisch oordeel. Verder is de rechtbank van oordeel dat hangende het beroep door het Uwv voldoende is toegelicht dat de belasting in de resterende aan appellant als geschikt voorgehouden functies zijn belastbaarheid niet te boven gaat.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat berust. Het in hoger beroep overgelegde rapport van de orthopedisch chirurg Schreuder voert de Raad niet tot een ander oordeel; deze rapportage bevestigt dat voor (een deel van) de subjectieve pijnklachten van appellant geen medische oorzaak kan worden gevonden. Ook in het rapport van 30 mei 2005 van Psychosofia ziet de Raad geen aanknopingspunten om appellant te volgen in zijn stelling dat de voor hem geldende uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen door het Uwv zijn onderschat.
De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2007.
(get.) R.C. Stam.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
JL