ECLI:NL:CRVB:2007:BA7732

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3643 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • H. Bolt
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV waarin haar WAO-uitkering per 18 februari 2004 werd ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank Leeuwarden oordeelde dat de belastbaarheid van appellante juist was vastgesteld en dat de functies waarop de bezwaararbeidsdeskundige zich baseerde medisch geschikt waren.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte het rapport van dr. Busard van 3 december 2004 buiten beschouwing had gelaten. De Raad verwierp deze grief omdat het rapport aan het UWV was toegezonden en daarop door de bezwaarverzekeringsarts Zwemer was gereageerd. De rechtbank had zich op dat standpunt gebaseerd.

De Raad vond geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank en onderschreef dat het rapport van Busard onvoldoende medisch gemotiveerd was en dat diens oordeel grotendeels gebaseerd was op subjectieve klachten. Ook de arbeidskundige grondslag van het besluit werd door de Raad bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van het UWV.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/3643 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 april 2005, 04/905 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H.J.A. Aerts te Roermond, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 22 juli 2005 heeft Aerts als aanvulling een brief van 19 juli 2005 van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard overgelegd.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 1 mei 2007. Partijen zijn, zoals tevoren was bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 1 juli 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 17 december 2003, waarbij de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante met ingang van 18 februari 2004 is ingetrokken, aangezien het Uwv appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet achtte.
De rechtbank heeft, zoals uit de aangevallen uitspraak blijkt, geoordeeld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, zoals die door het Uwv is vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies waarop de bezwaararbeidsdeskundige H.J. Boomgaard de onderhavige schatting heeft gebaseerd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte bij haar oordeelsvorming buiten beschouwing heeft gelaten een door appellante overgelegd rapport van 3 december 2004 van dr. Busard.
Deze grief wordt door de Raad verworpen, omdat uit de gedingstukken duidelijk blijkt dat bedoeld rapport van dr. Busard aan het Uwv voor een reactie is toegezonden. Die reactie is ook gegeven door de bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer in een rapportage van 7 april 2005.
Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank zich heeft geconformeerd aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Zwemer.
Voorts heeft de Raad, in hetgeen overigens door appellante is aangevoerd, geen aanleiding gevonden om inhoudelijk anders te oordelen over het bestreden besluit dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
Uit het rapport van dr. Busard van 3 december 2004 blijkt dat hij bij zijn oordeelsvorming goeddeels als gegeven is uitgegaan van hetgeen appellante hem bij het afnemen van de anamnese aan subjectieve klachten heeft medegedeeld, iets waarop ook de bezwaarverzekeringsarts Zwemer heeft gewezen in diens reactie. Het bezwaar van Zwemer dat Busard niet of nauwelijks medisch heeft geobjectiveerd wat de op ziekte of gebrek berustende beperkingen van appellante naar diens oordeel inhouden, kan de Raad onderschrijven.
Dat wordt niet anders door de reactie van Busard van 19 juli 2005, waarin de Raad niet heeft aangetroffen op welke gronden Busard meent dat zijn rapportage van 3 december 2004 een naar behoren medisch gemotiveerd en verantwoord oordeel over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding inhoudt.
Ten slotte overweegt de Raad dat hij in lijn met zijn uitspraak van 17 april 2007, LJN: BA2955, wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de in bezwaar resterende functies onderschrijft.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H. Bolt en C.W.J. Schoor als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C.D.A. Bos.