ECLI:NL:CRVB:2007:BA7751

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5035 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij WAO-uitkering

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 29 april 2005 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank wees het beroep van appellant af. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de procedure deelde het UWV mee dat het een nieuwe beslissing op bezwaar had genomen, waarin de uitkering onveranderd werd toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierdoor was het geschil feitelijk komen te vervallen en had appellant geen procesbelang meer bij het hoger beroep.

De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Wel oordeelde de Raad dat het UWV in de proceskosten van appellant in hoger beroep moest worden veroordeeld, begroot op € 322,- voor rechtsbijstand, en dat het betaalde griffierecht van € 142,- aan appellant werd vergoed. Andere kosten kwamen niet voor vergoeding in aanmerking.

Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; UWV veroordeeld in proceskosten en griffierecht vergoed.

Uitspraak

06/5035 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 juli 2006, 05/2514 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 19 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Leenders, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald, dat een nadere zitting achterwege blijft, en heeft hij het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 februari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) met ingang van 29 april 2005 ingetrokken op de grond dat appellant met ingang van die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 september 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Nadat namens appellant hoger beroep was ingesteld heeft het Uwv bij schrijven van 26 januari 2007 aan de Raad meegedeeld een nieuwe beslissing op bezwaar, eveneens gedateerd 26 januari 2007, te hebben afgegeven waarin wordt vermeld dat de uitkering met ingang van 29 april 2005 onveranderd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% in de zin van de WAO.
Namens appellant heeft mr. Leenders de Raad bericht dat er wordt ingestemd met de inhoud van het schrijven van
26 januari 2007 van het Uwv en aan de Raad verzocht vonnis te wijzen.
De Raad stelt vast dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de kwestie die appellant in hoger beroep aan de Raad ter beoordeling heeft voorgelegd.
Dit betekent dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger beroep.
Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad dient vervolgens antwoord te geven op de vraag of er aanleiding bestaat de door appellant gevorderde kosten te vergoeden met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
Wat betreft het verzoek om het Uwv te veroordelen in de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep overweegt de Raad als volgt.
De Raad overweegt dat niet gebleken is dat appellant in bezwaar en beroep kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
De Raad acht wel termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
De overige door appellant op het formulier proceskosten vermelde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor . De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2007.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) C. Tersteeg.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.