ECLI:NL:CRVB:2007:BA8051

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5207 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering WAO-uitkering wegens urenbeperking en functiegeschiktheid

Betrokkene, voormalig cassière, meldde zich in september 2000 ziek met diverse klachten waaronder bekkenklachten en psychische problemen. Het UWV weigerde per 6 september 2001 een WAO-uitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geschat, gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige rapporten.

De rechtbank Dordrecht verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond vanwege onvoldoende toelichting op de geschiktheid van bepaalde functies, met name vanwege persoonlijke risico's bij werkzaamheden zoals naaister-stikster en samensteller metaalproducten. Het UWV stelde dat er voldoende andere functies waren die geen problemen opleverden en dat de schatting ongewijzigd bleef.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de medische grondslag van het besluit en oordeelt dat betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat er meer beperkingen gelden dan reeds in aanmerking zijn genomen. Ook acht de Raad de resterende functies voldoende om de schatting te dragen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5207 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 15 juli 2005, 04/1119 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 22 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Tegelijk met het aanvullend beroepschrift heeft het Uwv een rapport van
22 augustus 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige R. Speur ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2007. Betrokkene was in persoon aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.
II. OVERWEGINGEN
Betrokkene, voorheen werkzaam als cassiere, heeft zich in september 2000 ziek gemeld met bekkenklachten, hoge bloeddruk, psychische klachten en last van wegrakingen. Bij besluit van 31 augustus 2001 heeft het Uwv geweigerd haar na afloop van de wettelijke wachttijd per 6 september 2001 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene valt te stellen op minder dan 15%. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op de rapporten van 10 en 27 juli 2001 van M. Al-Ali, verzekeringsarts en het rapport van 6 augustus 2001 van E. Zaal, arbeidsdeskundige. Eerstgenoemde arts heeft vastgesteld dat bij betrokkene een aantal beperkingen bestaan met betrekking tot het verrichten van arbeid; daartoe heeft hij enige fysieke beperkingen aangegeven alsmede op het psychisch vlak beperkingen met betrekking tot conflicthantering, een hoog werktempo en veel belastingpieken. Tevens heeft hij aangegeven dat betrokkene niet op gevaarlijke plaatsen dient te werken. Een urenbeperking heeft hij, na verkregen informatie van de huisarts, niet aangewezen geacht. Mevr. Zaal voornoemd heeft enige voor betrokkene geschikte functies geselecteerd, waarvan in een brief van 6 augustus 2001 aan betrokkene mededeling is gedaan. In een rapport van 7 februari 2002 heeft M. Al-Ali voornoemd een toelichting gegeven op de belasting van de geselecteerde functies.
Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 augustus 2001. In verband daarmee zijn rapporten uitgebracht door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. Mede op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van
3 mei 2002 het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Nadien heeft het Uwv dit besluit ingetrokken, omdat was gebleken dat ten onrechte was verzuimd betrokkene te horen en heeft het Uwv bij besluit van 5 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene alsnog ongegrond verklaard.
Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer gesteld dat het Uwv niet zonder meer op de door de huisarts gegeven informatie had mogen afgaan, dat zij niet in staat is de geselecteerde functies uit te oefenen en dat er bij het selecteren van die functies te weinig rekening is gehouden met het gegeven dat zij in verband met duizelingen niet op gevaarlijke plaatsen mag werken.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen, dat de medische grondslag van dit besluit voldoende deugdelijk is te achten – met name mocht de verzekeringsarts op grond van de van de huisarts ontvangen gegevens beslissen om geen urenbeperking te
hanteren – .Vervolgens heeft de rechtbank met betrekking tot het arbeidskundige aspect geoordeeld, dat de arbeidsdeskundige weliswaar heeft aangegeven dat het punt persoonlijk risico bij de geduide functies geen problemen oplevert, maar dat de duiding van de functies naaister-stikster en samensteller metaalproducten op dit punt vragen oproept. Bij eerstgenoemde functie kan immers vereist zijn dat af en toe een (nieuwe) naald in de naaimachine wordt gedaan en ten aanzien van de tweede functie geldt dat het mede gaat om het samenstellen van messen en scharen. Zonder een nadere toelichting op dit punt kan het bestreden besluit, volgens de rechtbank, niet in stand blijven.
Het Uwv heeft er in hoger beroep op gewezen, dat naast de twee door de rechtbank genoemde functies nog enige andere zijn geduid waarbij het door de rechtbank gesignaleerde probleem niet speelt en dat deze resterende functies voldoende zijn om de schatting te dragen.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad kan met de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Door betrokkene is niet voldoende onderbouwd dat met meer beperkingen rekening gehouden zou moeten worden dan die welke reeds door het Uwv in aanmerking zijn genomen.
Met betrekking tot het arbeidskundig aspect merkt de Raad allereerst op, dat de rechtbank als gevolg van enkele procedurele problemen eerst in juli 2005 uitspraak heeft gedaan in het geding waarin als beslissende datum 6 september 2001 centraal staat. In verband daarmee heeft het Uwv opgemerkt dat het na zo lange tijd niet meer goed mogelijk is om bij de desbetreffende arts na te vragen wat hij precies heeft bedoeld met het niet mogen werken “op gevaarlijke plaatsen” – betreft deze beperking slechts het werken op hoogte en nabij machines of gaat dit verder? –. Maar, hoe dit ook zij, zo heeft het Uwv vervolgd, er blijven voldoende functies over om de schatting op te kunnen baseren, hetgeen door de arbeidsdeskundige in het eerder genoemde rapport van 22 augustus 2005 nader is toegelicht. Ook indien (alleen) deze functies in aanmerking worden genomen blijft het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15%.
De Raad constateert dat, ook daargelaten de geschiktheid van de twee door de rechtbank bedoelde functies, er inderdaad voldoende functies overblijven die aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd en dat het door het Uwv gehanteerde percentage dusdoende ongewijzigd blijft. In dit verband verdient het opmerking dat in het schattingssysteem van de WAO niet slechts die (drie) functies als basis voor de schatting dienen die worden gehanteerd ter bepaling van het zogenoemde mediane loon, maar waar nodig ook de resterende functies.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het (inleidend) beroep moet ongegrond worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht omtrent de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en
A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.