ECLI:NL:CRVB:2007:BA8059

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6137 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellant, sinds 1981 arbeidsongeschikt wegens maag- en slokdarmklachten, ontving vanaf 1982 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV herzag deze uitkering per 30 maart 2004 naar 25 tot 35%. Na bezwaar stelde het UWV dit bij besluit van 22 juni 2004 bij tot 35 tot 45%.

Appellant betoogde dat zijn lichamelijke en psychische klachten hem belemmeren om loonvormende arbeid te verrichten. De rechtbank ’s-Hertogenbosch oordeelde echter dat de medische beperkingen niet onderschat waren en dat er geen aanleiding was voor nader deskundigenonderzoek, mede omdat appellant niet onder behandeling was van een psycholoog of psychiater.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Raad volgde de rechtbank en de UWV-bezwaarverzekeringsartsen. De Raad concludeerde dat er geen objectief-medische aanwijzingen zijn dat de beperkingen zijn onderschat en dat appellant op en na 30 maart 2004 in staat was tot de betrokken functies. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering waarbij de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35-45% wordt bevestigd.

Uitspraak

05/6137 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 september 2005, 04/2153 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is een schrijven van zijn huisarts, gedateerd 23 december 2005, ingezonden.
Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd met een rapport, gedateerd 26 april 2004, van zijn bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep.
Mr. I.K. Kolev, advocaat te Hapert, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld en heeft een rapportage ingezonden van appellants behandelend psychiater
S. de Wael, gedateerd 13 december 2006.
Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd met een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers, gedateerd 11 januari 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is in 1981 wegens maagklachten en slokdarmklachten uitgevallen als productiemedewerker. In verband hiermee is hij met ingang van 13 augustus 1982 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 6 februari 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 maart 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij het bestreden besluit van 22 juni 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen eerstgenoemd besluit gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant nader bepaald op 35 tot 45%.
Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn klachten ook op en na 30 maart 2004 onverminderd in de weg staan aan het verrichten van loonvormende arbeid. Hij heeft in dit verband gewezen op zijn nog steeds bestaande lichamelijke problemen, als hiervoor vermeld, en daarnaast benadrukt dat zijn aanhoudende klachten ook hebben geleid tot overspannenheid en chronische vermoeidheid.
De rechtbank heeft op grond van de beschikbare medische gegevens geoordeeld dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. De rechtbank heeft in dit verband onder meer overwogen in de brief van appellants huisarts van 22 december 2003, die door de bezwaarverzekeringsarts in zijn oordeelsvorming is betrokken, geen aanleiding te zien om de in aanmerking genomen beperkingen voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat van de zijde van appellant geen andere medische informatie is overgelegd ter onderbouwing van zijn eigen opvatting. Ten slotte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant voor zijn gestelde psychische klachten niet onder behandeling staat van een psycholoog of psychiater. Derhalve heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om, als verzocht, een onderzoek door een deskundige te gelasten.
De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de bij de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.
Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat hij als gevolg van het geheel van zijn klachten en aandoeningen, met name de klachten van zijn maag en spijsverteringskanaal alsmede de ernstige vermoeidheidsverschijnselen en psychische klachten, niet aan het arbeidsproces kan deelnemen.
De Raad ziet in navolging van de rechtbank deze grieven van appellant niet slagen. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.
De bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep heeft in reactie op de namens appellant verstrekte informatie van zijn huisarts aangegeven dat de door die arts beschreven klachten en symptomen reeds bekend waren en in de oordeelsvorming zijn betrokken. Verder is verwezen naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink van
21 mei 2004, waarin uitvoerig wordt beargumenteerd waarom bij appellant, anders dan de huisarts heeft gesteld, geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad kan zich hierin vinden.
Ook stelt de Raad zich achter het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Stammers op de rapportage van de psychiater De Wael. In dat commentaar is erop gewezen dat die psychiater een medisch toestandbeeld beschrijft dat circa twee en een half jaar na de geschildatum dateert. Uit het rapport blijkt volgens de bezwaarverzekeringsarts ook dat appellant tegenover de psychiater melding heeft gemaakt van een ten opzichte van de datum in geding toegenomen klachtenbeeld.
In het licht hiervan en mede in aanmerking nemend dat bij onderzoek door de verzekeringsarts op 1 december 2003, derhalve relatief kort voor de datum in geding, geen psychische problematiek is vastgesteld, houdt de Raad het ervoor dat er ten tijde hier van belang bij appellant geen sprake was van wezenlijke beperkingen op psychisch gebied.
De Raad concludeert met de bezwaarverzekeringsartsen van het Uwv dat noch in de door de huisarts en de psychiater verstrekte informatie noch in de overige omtrent appellant beschikbare gegevens objectief-medische aanwijzingen zijn te vinden voor de zienswijze dat zijn beperkingen zijn onderschat.
Ten slotte overweegt de Raad dat, aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, tevens genoegzaam vaststaat dat appellant op en na 30 maart 2004 in staat was tot het vervullen van de bij de schatting betrokken functies.
Het bestreden besluit kan in rechte stand houden, in verband waarmee de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.