ECLI:NL:CRVB:2007:BA8076

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6007 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening besluit over arbeidsongeschiktheid na werkweek van 80 uur

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle, waarin het beroep van betrokkene tegen een besluit van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid werd gegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het UWV ten onrechte de werkweek had gemaximeerd op 38 uur bij de schatting van arbeidsongeschiktheid.

Naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie en de omstandigheid dat betrokkene een werkweek van gemiddeld 80 uur had, heeft het UWV haar standpunt herzien en een nieuw besluit genomen waarin de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw werd berekend, resulterend in een indeling van 35 tot 45%.

Betrokkene gaf aan dat met dit nieuwe besluit volledig aan zijn bezwaren was tegemoetgekomen en verzocht om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding toegewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd voor zover aangevochten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het besluit en veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

06/6007 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 2 oktober 2006, 06/889 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
Datum uitspraak: 22 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 2 april 2007 heeft appellant een nieuw besluit ten aanzien van betrokkene genomen.
Bij brief van 4 april 2007 heeft betrokkene hierop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van appellant van 30 maart 2006 gegrond verklaard en appellant veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan betrokkene vergoedt.
Appellant heeft aangegeven in hoger beroep te zijn gekomen omdat de rechtbank in de aangevallen uitspraak geoordeeld heeft dat appellant ten onrechte bij de schatting is uitgegaan van een maximering van de werkweek op 38 uur en dat appellant daarmee een verkeerde toepassing heeft gegeven aan het Schattingsbesluit 2004.
In zijn besluit van 2 april 2007 heeft appellant, als gevolg van de uitspraken van de Raad van 2 maart 2007, aangegeven zijn standpunt te herzien nu, in het licht van de nieuwe jurisprudentie en de omstandigheid dat de betrokkene een werkweek van gemiddeld 80 uur kende, gebleken is dat de maatman niet door appellant gemaximeerd had mogen worden op 38 uur per week.
De uit dit nieuwe standpunt voortvloeiende herberekening van de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid leidt tot indeling in de klasse van 35 tot 45%.
Bij schrijven van 4 april 2007 is van de zijde van betrokkene aangegeven dat met dit nieuwe besluit volledig aan de bezwaren van betrokkene tegemoet gekomen wordt.
Namens betrokkene is de Raad verzocht appellant te veroordelen tot vergoeding van de kosten die betrokkene in hoger beroep heeft moeten maken.
Het is de Raad niet gebleken van bezwaren van appellant tegen dit verzoek.
De proceskosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van
€ 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.