ECLI:NL:CRVB:2007:BA8226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding bij bijstandsuitkering tussen broers
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het College wees dit af omdat hij een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn broer. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellant en zijn broer samen in een HAT-eenheid woonden en zorg voor elkaar droegen, onder meer door gezamenlijke kosten en huishoudelijke taken.
De Raad benadrukt dat de beoordeling van een gezamenlijke huishouding op objectieve criteria berust, waarbij motieven en aard van de relatie niet doorslaggevend zijn. De kleine woonruimte en het gebruik van gezamenlijke voorzieningen wijzen op een gezamenlijke huishouding. De bijdrage van de broer aan de kosten wordt als een bijdrage in de huishouding gezien.
Hoewel het College en de rechtbank het recht op bijstand voor appellant bevestigden, oordeelt de Raad dat de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding betekent dat appellant niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde kan worden beschouwd. Daarom is de afwijzing van de bijstand terecht. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstand aan appellant wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding met zijn broer.