ECLI:NL:CRVB:2007:BA8443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3594 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • H. Bolt
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het UWV-besluit inzake WAO-uitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als agrarisch medewerker, viel op 20 augustus 2001 uit wegens longklachten. Het UWV weigerde hem een WAO-uitkering toe te kennen per 19 augustus 2002, omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar en aanvullend onderzoek door een arbeidsdeskundige en een bezwaarverzekeringsarts, concludeerde het UWV dat de functie medisch geschikt was voor appellant, ondanks enige overschrijding in staan en lopen.

De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep tegen het besluit van 3 november 2004 ongegrond, waarbij werd overwogen dat er geen belastbaarheidsprofiel was opgesteld, maar dat de functie waarschijnlijk niet te belastend was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het UWV zorgvuldig en voldoende onderbouwd heeft vastgesteld dat appellant zijn functie kan vervullen met de vastgestelde beperkingen.

De Raad neemt het rapport van de arbeidsdeskundige Snijders en de bezwaarverzekeringsarts Van de Nieuwe Giessen als basis, die aangeven dat staan en lopen tot vijf uur per dag mogelijk zijn en dat het werk ook zittend kan worden verricht. De Raad acht de medische beoordeling zorgvuldig en wijst het beroep af, zonder proceskosten toe te kennen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV dat appellant geen WAO-uitkering ontvangt wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/3594 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 april 2005, 04/5297 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spek voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant is met longklachten op 20 augustus 2001 uitgevallen voor zijn werk als agrarisch medewerker bij kwekerij [naam bedrijf].
Bij besluit van 18 juli 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van
19 augustus 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 6 december 2002 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 oktober 2003 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep tegen het besluit van 6 december 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het Uwv opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen, alsmede beslissingen gegeven ter zake van griffierecht, proceskosten en gevorderde schade. De rechtbank heeft daarbij, met betrekking tot de aan dat besluit ten grondslag liggende medische beoordeling, overwogen dat zij geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Met betrekking tot de aan dat besluit ten grondslag liggende arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen belastbaarheidsprofiel is gemaakt van appellants functie en dat, gelet op de wel voorhanden zijnde gegevens daaromtrent, niet kan worden uitgesloten dat deze functie voor appellant, met name wat betreft de aspecten lopen en staan tijdens het werk, te belastend is. Partijen hebben in deze uitspraak berust.
Het Uwv heeft vervolgens aanvullend onderzoek laten verrichten, hetwelk heeft geresulteerd in een rapportage van 10 juni 2004 van de arbeidsdeskundige
J.A.M. Snijders, waarin deze de belasting van de functie waaruit appellant is uitgevallen heeft beschreven, de belastingpunten van die functie heeft afgezet tegen de op de Functionele Mogelijkheden Lijst van 4 juni 2002 vermelde beperkingen van appellant en heeft geconcludeerd dat de functie waaruit appellant is uitgevallen voor deze medisch geschikt is te achten. De belastingaspecten staan en lopen wilde hij echter nog voorleggen aan de bezwaarverzekeringsarts. In zijn rapportage van 25 juni 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts J.D. van de Nieuwe Giessen geconcludeerd dat, hoewel er wat overschrijding lijkt te zijn op de aspecten staan en lopen, de belasting op die punten de belastbaarheid niet essentieel overstijgt. Hierop heeft het Uwv bij besluit van
3 november 2004 het bezwaar wederom ongegrond verklaard en het besluit van
18 juli 2002 gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van
3 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe
– samengevat weergegeven – geoordeeld dat de belasting in het eigen werk op de in geding zijnde datum van 19 augustus 2002 de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het in het bestreden besluit vervatte standpunt dat de functie waaruit appellant is uitgevallen voor deze medisch geschikt is te achten zorgvuldig is voorbereid en genoegzaam is onderbouwd. De Raad wijst daartoe op de genoemde rapporten van de arbeidsdeskundige Snijders en de bezwaarverzekeringsarts Van de Nieuwe Giessen, waaraan hij ontleent dat staan en lopen in de functie tot 5 uur per dag kunnen voorkomen, terwijl daarnaast substantiële onderdelen van het werk zittend kunnen worden verricht, terwijl appellant zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren) kan lopen en zo nodig gedurende eenzelfde tijd kan staan tijdens het werk, in totaal 8 uren. In hetgeen overigens nog door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een andersluidend oordeel te komen. Met de omstandigheid dat appellant in hitteperiodes moeite heeft met ademhalen is naar zijn oordeel bij de ten aanzien van appellant vastgestelde FML voldoende rekening gehouden. In de overgelegde verklaring van de allergoloog G. van Dalen ziet de Raad geen grond om aan te nemen dat de functie op dit punt voor appellant niet medisch geschikt is en trouwens ook niet ten aanzien van de van de zijde van appellant gestelde overgevoeligheid voor anjers.
Op grond van bovenstaande overweging komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H. Bolt en C.W.J. Schoor als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C.D.A. Bos.
TM