ECLI:NL:CRVB:2007:BA8451

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4051 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • H. Bolt
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na arbeidsongeschiktheidsbeoordeling

Appellante, voormalig secretarieel medewerkster, viel uit wegens nek-, rug- en schouderklachten. Na aanvankelijke weigering van een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, werd later een uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vervolgens herzag het UWV deze uitkering naar 35-45% op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig onderzoek.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, waarbij zij de medische rapportages en de motivering van het UWV als zorgvuldig en voldoende onderbouwd beschouwde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld en dat de functie chauffeur bijzonder vervoer ongeschikt was vanwege medicijngebruik.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de beperkingen waren overschat en dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd. Ook werd geoordeeld dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom er geen sprake was van geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor arbeid. De stelling dat de functie chauffeur bijzonder vervoer ongeschikt was, werd verworpen omdat niet was aangetoond dat het medicijn overdag gebruikt moest worden.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellante af. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het beroep van appellante af.

Uitspraak

05/4051 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 mei 2005, 04/453 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J. Teeninga, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Door appellante en het Uwv zijn nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat te Dordrecht, als opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.
Appellante, laatstelijk werkzaam als secretarieel medewerkster, is op 1 februari 1999 uitgevallen met nek-, rug- en schouderklachten. Bij besluit van 27 januari 2000 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 31 januari 2000 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. Per 9 mei 2000 heeft appellante, die toen een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontving, zich opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 7 mei 2001 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 8 mei 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Appellante is op 22 februari 2002 verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts Y.M. Tsang, die haar heeft onderzocht en vervolgens informatie heeft opgevraagd bij de huisarts en de behandelend psycholoog A.J. Brune. Omdat informatie van de kant van de behandelend psycholoog uitbleef, heeft Tsang appellante opnieuw opgeroepen en onderzocht. Tsang heeft zijn bevindingen neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 oktober 2003. Op basis van de FML en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 28 oktober 2003 werden vervolgens bij arbeidskundig onderzoek vier functies aan appellante voorgehouden die voor haar geschikt werden geacht. Het verlies aan verdienvermogen werd berekend op 40,9%. Hierna heeft het Uwv het besluit van 5 november 2003 genomen, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 6 januari 2004 is herzien en nader is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
In haar bezwaarschrift tegen het besluit van 5 november 2003 heeft appellante gesteld dat haar klachten door de verzekeringsarts zijn onderschat en dat zij de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies niet kan vervullen door haar gezondheidsklachten en de door haar gebruikte medicijnen. De bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan, die aanwezig was tijdens de hoorzitting, heeft, na weging van de bezwaren van appellante en de beschikbare medische informatie, blijkens het rapport van
29 maart 2004 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van Tsang. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 april 2004 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 november 2003 ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 april 2004 (hierna: het bestreden besluit). Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij op grond van haar medische klachten in het geheel niet in staat is tot loonvormende arbeid, dat het onzorgvuldig is dat de behandelend psycholoog niet is gerappelleerd wegens het uitblijven van een reactie op het verzoek om informatie van de verzekeringsarts en dat de haar voorgehouden functies voor haar niet medisch geschikt zijn. Blijkens de rapportage van Kleinjan van
14 juni 2004 is deze van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor arbeid heeft. Voorts is daarbij opgemerkt dat de verzekeringsarts wel degelijk de behandelend psycholoog heeft gerappelleerd en dat vervolgens bij schrijven van 27 april 2004 informatie van Brune is ontvangen, maar dat deze informatie Tsang geen aanleiding heeft gegeven de eerder opgestelde FML aan te passen. Vervolgens heeft appellante nog een rapport toegezonden van
dr. G.M.A. Clauwaert, huisarts/GGS verzekeringsgeneeskunde, van 30 augustus 2004. Clauwaert heeft in dit rapport, zich baserende op de voorhanden zijnde medische gegevens, geconcludeerd dat appellante verdergaand beperkt is dan in de FML is aangegeven en dat de aan appellante voorgehouden functies weinig realistisch lijken. Kleinjan heeft op dit rapport gereageerd en gesteld dat daarin geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten worden aangevoerd, zodat bijstelling van de FML niet aan de orde was. Voorts heeft appellante nog gesteld dat de conclusie van de arbeidsdeskundige dat de aan appellante voorgehouden functies voor appellante geschikt zijn onvoldoende is onderbouwd en inzichtelijk gemaakt, dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor arbeid heeft en dat de functie chauffeur bijzonder vervoer wegens medicijngebruik niet kan worden gebruikt bij de onderhavige schatting. Bij rapport van 22 maart 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige C.A.J. Wijhe een toelichting gegeven op de geselecteerde en aan appellante voorgehouden functies.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat zij geen aanleiding ziet om de door het Uwv overgenomen conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken, omdat ze op zorgvuldige wijze zijn tot stand gekomen en inhoudelijk concludent zijn, alsmede dat de rapportages van Brune en Clauwaert het Uwv niet tot een ander oordeel behoefden te brengen. Voorts heeft zij overwogen dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van appellante niet kan worden gesproken van het onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, waarmee genoegzaam is gemotiveerd dat geen sprake is van de situatie dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor arbeid heeft. De grief van appellante met betrekking tot de functie chauffeur bijzonder vervoer heeft de rechtbank terzijde gesteld omdat zij zich kon stellen achter het betoog van het Uwv dat het gebruik van het middel Lormetazepam geen probleem hoeft op te leveren voor het uitoefenen van deze functie. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat met de toelichting van de arbeidsdeskundige van 22 maart 2005 op de geselecteerde en aan appellante voorgehouden functies voldoende aan de motiveringsplicht is voldaan.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de verklaringen van Brune en Clauwaert, anders dan het Uwv stelt en de rechtbank heeft overwogen, volgt dat ten aanzien van haar zwaardere medische beperkingen voor het verrichten van arbeid gelden dan door het Uwv is aangenomen. Voorts heeft zij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv zijn opvatting dat de standaard ‘Geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ niet verdergaand behoefde te motiveren dan het heeft gedaan. Wat de functie van chauffeur bijzonder vervoer betreft, heeft appellante haar stelling gehandhaafd dat zij deze niet kan uitoefenen wegens het gebruik van Lormetazepam.
De Raad is, gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens, van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ten aanzien van haar aangenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid, neergelegd in de FML, onjuist zijn, in die zin dat haar belastbaarheid daarbij is overschat. Hij acht de medische onderzoeken van verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig tot stand gekomen en ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de bij het bestreden besluit ten aanzien van appellante aangenomen beperkingen, waaronder een urenbeperking, onjuist zijn vastgesteld. Met de rechtbank ziet de Raad in de verklaringen van Brune en Clauwaert daarvoor onvoldoende grond. Hij wijst er daarbij op dat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gaat om een juiste vaststelling van de beperkingen van de verzekerde, waarbij een diagnose een rol kan spelen maar niet doorslaggevend is. Ook kan de Raad zich niet stellen achter het betoog van appellante dat de rechtbank een onjuist oordeel heeft gegeven over de motiveringsplicht van het Uwv met betrekking tot de afwezigheid van de situatie dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor arbeid zijn voor appellante. Uit de door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapportages blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat die situatie zich in het voorliggende geval niet voordoet en het Uwv heeft zich, met een verwijzing naar de bevindingen van genoemde artsen, voldoende gekweten van de in dezen op hem rustende plicht tot motivering. Voorts is de Raad van oordeel dat appellantes grief dat de functie chauffeur bijzonder vervoer ten onrechte is geselecteerd en aan haar is voorgehouden niet kan slagen, omdat, zoals ter zitting van de Raad ook is erkend, niet kan worden aangetoond dat appellante op voorschrift van een haar behandelend arts dit medicijn ook overdag dient te gebruiken. De Raad wijst er op dat appellante in haar bezwaarschrift uitdrukkelijk heeft vermeld Lormetazepam Dumex 2 mg te gebruiken, één maal per dag.
Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H. Bolt en C.W.J. Schoor als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C.D.A. Bos.
JL