ECLI:NL:CRVB:2007:BA8667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging AOW-pensioen na overlijden partner op grond van Nederlands-Marokkaans verdrag
Appellante, die nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt, kreeg vanaf juni 1998 een AOW-pensioen gebaseerd op de verzekeringsperiode van haar echtgenoot. Na het overlijden van haar echtgenoot in 2002 werd haar AOW-pensioen stopgezet op grond van het Nederlands-Marokkaans verdrag (NMV), omdat zij niet langer als verzekerd werd beschouwd.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) bouwde het pensioen geleidelijk af tot december 2003 en verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze beslissing ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het intrekken van haar pensioen een inbreuk op haar eigendomsrecht vormde en dat het beleid van de Svb een verboden onderscheid naar status inhield.
De Raad oordeelde dat het recht op AOW-pensioen afhankelijk was van het voortbestaan van het huwelijk en dat het overlijden van de echtgenoot het recht op het pensioen beëindigde. Er was geen sprake van ontneming van eigendom omdat het pensioen gebaseerd was op een voorwaardelijke aanspraak. Ook het beleid van de Svb was gerechtvaardigd en er was geen verboden onderscheid. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees de grieven van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante na het overlijden van haar echtgenoot geen recht meer heeft op AOW-pensioen en wijst het beroep af.