ECLI:NL:CRVB:2007:BA8858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke WAO-uitkering ondanks burn-out en activiteitenniveau
Appellante, die sinds mei 2003 met burn-outklachten uitviel, vroeg in april 2004 een WAO-uitkering aan. Het UWV kende haar een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering toe van 45 tot 55%. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de beperkingen zorgvuldig waren vastgesteld en dat er geen noodzaak was om nadere informatie bij de psycholoog op te vragen.
Appellante voerde aan dat haar rustbehoefte onvoldoende was meegewogen en dat het UWV ten onrechte haar sportieve activiteiten en verre reizen gebruikte om haar beperkingen te betwisten. Zij stelde dat de bedrijfsarts, die haar vaker zag, een beter beeld had van haar beperkingen dan de bezwaarverzekeringsarts. Ook betwistte zij het ontbreken van een urenbeperking, die volgens haar niet afhankelijk is van de ernst van de ziekte.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling op voldoende gegevens was gebaseerd en dat de bezwaarverzekeringsarts terecht geen urenbeperking aannam. Het activiteitenniveau, waaronder sporten en reizen, kon meewegen bij de inschatting van de belastbaarheid. De Raad vond geen aanleiding om het UWV te verplichten nadere informatie bij de psycholoog in te winnen. De lagere functies waarop de arbeidsongeschiktheid werd gebaseerd, waren passend. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen urenbeperking krijgt toegekend en dat de gedeeltelijke WAO-uitkering van 45 tot 55% gehandhaafd blijft.