ECLI:NL:CRVB:2007:BA8963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende medische grondslag voor herziening WAO-uitkering bevestigd
Appellante, voormalig secretaresse, werd na een ongeval in 1997 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering van 80 tot 100%. Het UWV herzag deze uitkering in 2003 naar 15-25%, wat tot bezwaar en beroep leidde. Diverse medische rapporten werden overgelegd, waaronder van psychologen en psychiaters, met uiteenlopende conclusies over haar beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het UWV-besluit, stellende dat de medische grondslag onvoldoende was en appellante wel degelijk urenbeperkingen had. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De door de deskundige Kemperman vastgestelde ongedifferentieerde somatoforme stoornis en de noodzaak van urenbeperking werden als doorslaggevend beschouwd.
Het UWV had deze urenbeperking niet meegenomen in haar besluit, waardoor de medische basis van het besluit onvoldoende was. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante. Het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en deugdelijke medische onderbouwing bij herbeoordelingen van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waarbij ook psychische beperkingen en urenbeperkingen adequaat moeten worden betrokken.
Uitkomst: Het UWV-besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende medische onderbouwing en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.