ECLI:NL:CRVB:2007:BA9044

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1578 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging waardering functiewaardering beleidsadviseur gemeente Weert

Appellant, werkzaam als Beleidsadviseur Stadstoezicht en Gebruik bij de gemeente Weert, maakte bezwaar tegen de functiewaardering waarbij zijn functie werd ingedeeld in bezoldigingsschaal 10 met een score van 2 punten voor het gezichtspunt Functionele Vorming (FV). Hij stelde dat de juridische sectortaak onvoldoende was meegewogen en dat een hogere score van 3 punten op zijn plaats was.

De rechtbank Roermond verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college de juridische sectortaak wel degelijk had meegewogen, mede op basis van het advies van de Bezwarencommissie Functiewaardering. De toegekende score van 2 punten werd als passend beoordeeld, omdat de complexiteit van de functie en de sectorale taak niet uitstijgen boven het vereiste opleidings- en kennisniveau.

De Raad verwierp ook de vergelijking met andere beleidsadviseursfuncties omdat deze niet vergelijkbaar zijn en concludeerde dat er geen sprake is van inconsistentie in de toepassing van het functiewaarderingssysteem. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De waardering van de functie Beleidsadviseur Stadstoezicht en Gebruik met een score van 2 punten voor Functionele Vorming wordt bevestigd.

Uitspraak

06/1578 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 februari 2006, 04/1069 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: college)
Datum uitspraak: 28 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Uneken, werkzaam bij de gemeente Weert.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is bij de gemeente Weert werkzaam in de functie van Beleidsadviseur Stadstoezicht en Gebruik bij de afdeling Stadstoezicht en Gebruik van de sector Stadsbeheer, aan welke functie voorheen bezoldigingsschaal 9 was verbonden. In het kader van een functiewaarderingsronde, waarbij de oude methode van persoonsgerichte functiewaardering is vervangen door organieke functiewaardering, heeft het college bij besluit van 3 december 2003 de waardering van appellants functie met toepassing van de Regeling functiewaardering der gemeente Weert en het Gemeentelijk functiewaarderings-systeem per de (peil)datum 1 augustus 2001 definitief vastgesteld op hoofdgroep IV met toekenning van 11 punten voor de bij de functiewaardering betrokken gezichtspunten, leidend tot indeling in bezoldigingsschaal 10.
1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze waarderingsuitkomst, in het bijzonder tegen de toegekende score van 2 punten voor het gezichtspunt Functionele Vorming (FV). Bij het bestreden besluit van 21 juli 2004 heeft het college de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep betoogt appellant opnieuw dat de bij de waardering van zijn functie toegekende score van 2 punten (na de beroepsopleiding is 500 tot 1000 uur praktijk- of schoolopleiding nodig) voor het gezichtspunt FV uitsluitend is gebaseerd op appellants werkzaamheden als beleidsadviseur. Daarmee wordt echter geen recht gedaan aan het in de functiebeschrijving tot uitdrukking gebrachte tweeledige karakter van de functie. Indien ook de juridische sectortaak in de waardering wordt betrokken - vanwege welke taak enkele jaren meer ervaringskennis wordt vereist - dan dient dat te leiden tot de (hogere) score van 3 punten (na de beroepsopleiding is 1000 tot 2000 uur praktijk- of schoolopleiding nodig) op het gezichtspunt FV. Ook acht appellant een score van
3 punten juist als hij zijn functie vergelijkt met enige andere functies die een score van
3 punten hebben behaald op het gezichtspunt FV.
3.2. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de waardering van het gezichtspunt FV. De daarbij door de rechter aan te leggen toetsingsmaatstaf is, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, terughoudend.
4.2. De Raad volgt allereerst niet appellants betoog dat de in de functiebeschrijving genoemde juridische sectortaak bij de waardering van de functie niet is meegewogen. In het advies van de Bezwarencommissie Functiewaardering (BCF) is namelijk uitdrukkelijk ook ingegaan op de (waardering van) de juridische sectortaak. Nu het college, in het kader van de heroverweging van het primaire besluit van 3 december 2003, het door de BCF gegeven advies integraal heeft overgenomen en als (nadere) motivering aan haar besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat het college de juridische sectortaken niet heeft meegewogen bij de waardering van de functie.
4.3. Wat betreft de toegekende score van 2 punten voor het gezichtspunt FV onderschrijft de Raad, evenals de rechtbank, het in rechtsoverweging 2.3 van de aangevallen uitspraak weergegeven standpunt van het college. Dit standpunt komt er in de kern op neer dat de bij appellants functie behorende “output” in relatie tot de beleidsterreinen zoals voor-komend in de adviseursfuncties op niveau 11, minder complex is, hetgeen ook geldt voor appellants sectorale taak. Appellant heeft ook in hoger beroep deze zienswijze niet met kracht van argumenten bestreden en de Raad kan de door het college gegeven motivering in het licht van de functiebeschrijving en de overige gedingstukken niet onjuist of onhoudbaar achten. Appellant heeft de Raad ook met wat hij ter onderbouwing van zijn standpunt overigens nog heeft aangevoerd niet ervan kunnen overtuigen dat de bij zijn functie behorende taakstelling als totaal qua complexiteit uitstijgt boven het voor de functie vereiste opleidings- en kennisniveau, te weten: HBO-niveau + 3 jaar aanvullende ervaring (tezamen de hoofdgroep IV vormend) vermeerderd met 500 tot 1000 uur praktijk- of schoolopleiding.
4.4. Het vorenoverwogene brengt met zich dat ook de door appellant gemaakte vergelijking met de waardering van andere (Beleids)adviseursfuncties niet opgaat, nu het hier niet gaat om soortgelijke functies. Dat sprake zou zijn van een niet consistente toepassing door het college van het gemeentelijk functiewaarderingssysteem is naar het oordeel van de Raad voorts niet gebleken.
5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar 28 juni 2007.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) P.J.W. Loots.
HD
14.06