ECLI:NL:CRVB:2007:BA9104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk als machinebediende
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin werd geoordeeld dat hij vanaf 25 juni 2004 geschikt was om zijn eigen werk als machinebediende gedurende een volledige werkweek te verrichten, waardoor geen recht op WAO-uitkering bestond.
De Raad baseert zich op medische en arbeidsdeskundige rapporten die aangeven dat appellant, ondanks rugklachten, zijn functie met aangepaste werktijden en uren kon blijven uitvoeren. De beschrijvingen van de functie zijn niet betwist en geven een getrouw beeld van de zwaarte van de werkzaamheden.
Appellant voerde aan dat zijn rugklachten ernstiger waren dan door de verzekeringsartsen werd ingeschat en dat een medische urenbeperking noodzakelijk was. De Raad oordeelt echter dat op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO alleen objectief medisch vastgestelde ongeschiktheid voor de arbeid tot arbeidsongeschiktheid leidt.
Nieuwe medische gegevens die in hoger beroep zijn ingebracht, scheppen geen twijfel aan het standpunt dat appellant geschikt was voor zijn werk. De latere rugoperatie en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid na de datum in geding zijn niet relevant voor de beoordeling op 25 juni 2004.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WAO-uitkering toekomt omdat hij geschikt wordt geacht zijn eigen werk voltijds te verrichten.